Auteur: Ditty Eimers  |  Leestijd: 7 minuten

Interview

‘De therapie die getraumatiseerde kinderen en hun ouders krijgen, heeft lang niet altijd effect’, zegt kinderpsychiater Roland Verdouw. ‘De aandacht van een leerkracht die zorgt dat een kind zich gezien voelt, of van een buurvrouw die uitnodigt om te komen spelen, werkt vaak wél therapeutisch.’

‘Leer getraumatiseerde kinderen weer te voelen en ander gedrag uit te proberen’

De kinderen die kinderpsychiater Roland Verdouw ziet, worden meestal naar hem doorverwezen vanwege psychische, ontwikkelings- of gedragsproblemen. Zijn specialisme is de behandeling van trauma’s bij kinderen. ‘Leerkrachten, buren en andere naasten kunnen een veel grotere rol spelen bij het vergroten van de veerkracht van mishandelde kinderen dan ze zich realiseren’, stelt hij.

‘Ik zie dat als een set van ervaringen, die het stresssysteem actiever en reactiever maken: het staat constant in de overlevingsstand. Je hebt relationele en niet-relationele trauma’s. Bij niet-relationele trauma’s kun je denken aan psychische wonden die je oploopt door dreiging van buitenaf: een aardbeving bijvoorbeeld. Relationele trauma’s raken ons dieper, omdat ze ingaan tegen hoe we gebakken zijn: als sociale wezens hebben we anderen nodig om te overleven. Dat soort trauma’s zijn nog heftiger als ze veroorzaakt worden door mensen die je eigenlijk moeten beschermen, zoals je ouders. Dat is het geval bij kindermishandeling en verwaarlozing.’

‘Dat is bij elk kind anders. Als ze nog heel klein zijn, merk je niet zoveel, behalve dat zij vaak temperamentvoller zijn dan gemiddeld. Dat kan ook een karaktereigenschap zijn. Zolang ze klein zijn, worden hun gedrag en hun achterstand door de omgeving beter verdragen dan als ze ouder worden. Meestal blijkt pas in groep drie dat ze een ontwikkelingsachterstand hebben opgelopen. Dan zakken ze door het ijs, omdat ze niet de vaardigheden hebben ontwikkeld die passen bij hun kalenderleeftijd. Bij de overgang naar de middelbare school en het aanbreken van de puberteit gebeurt vaak iets vergelijkbaars.

De meeste getraumatiseerde kinderen hebben een combinatie van stress- en emotieregulatieproblemen. Dat kun je ADHD, ASD of OCD noemen, of een van die andere D’tjes die we in de psychiatrie hebben bedacht. We werken volgens richtlijnen. Vaak is het classificeren aan de hand van de DSM, het handboek van de psychiatrie, een voorwaarde om een behandeling te krijgen. Maar classificaties zeggen alleen iets over de klachten. Niets over de oorzaak of welke behandeling voor dit kind passend is.’

‘Bij kinderen die verwaarloosd zijn, zie ik veel quasi-autistisch gedrag: ze kijken je niet aan, maken moeizaam contact of zijn juist grenzeloos. Ook hebben ze vaak een combinatie van verstandelijke beperkingen, aandachts,- concentratie- en hechtingsproblemen.’

‘Er is vaak een link tussen moeilijk gedrag van een kind en problemen waar hun ouders mee worstelen. Soms merk ik al tijdens het eerste gesprek dat een vader of moeder moeite heeft met het aangaan van contact. Ik zie veel emotieregulatieproblemen bij ouders, vaak in combinatie met verslavingsproblematiek. Dat noem ik zelfmedicatie: mensen grijpen naar verdovende middelen om hun pijn of onrust te temperen. Ook komen bij deze ouders meer dan gemiddeld depressieve klachten en psychosegevoeligheid voor. Plus allerlei lichamelijke klachten: obesitas, diabetes, hart- en vaatziekten. Inmiddels weten we uit onderzoek dat de oorsprong van veel van die aandoeningen in de vroege kindertijd ligt. Onveilige hechting kan mensen kwetsbaar maken voor allerlei lichamelijke en psychische ziektes, die meestal pas op latere leeftijd tot uiting komen.’

Veel kinderen die langdurig te maken hebben met onveiligheid thuis, lopen trauma’s op. Wat is een trauma?

U behandelt voornamelijk mishandelde kinderen. Wat voor klachten hebben zij?

En verwaarloosde kinderen?

Hebben de ouders van mishandelde, getraumatiseerde kinderen zelf ook problemen?

Roland Verdouw is kinder- en jeugdpsychiater bij jeugdzorg- en GGZ-instelling Pluryn en een van de drijvende krachten achter TeamNEXT, een initiatief van professionals binnen de jeugdzorg en GGZ, dat zich op innovatieve diagnostiek en behandelinterventies richt. Via TeamNEXT wordt hij geconsulteerd bij casuïstiek van kinderen waarbij behandelaren van jeugdzorg en GGZ vastlopen.

‘Dat wat je zelf niet meegekregen hebt als kind, kun je ook niet aan je eigen kinderen doorgeven. Zie het leren hanteren van emoties als het leren van een taal. Je hebt je ouders nodig om zoiets onder de knie te krijgen, en dat lukt alleen als zij in staat zijn om hun eigen emoties te reguleren. Maar ze moeten ook de behoeften van hun kind herkennen: wat het nodig heeft om zich veilig te voelen en zich te kunnen ontwikkelen. Ouders die dat niet hebben geleerd, geven hun problemen vaak door aan de volgende generatie. Niet moedwillig, maar omdat ze niet anders kunnen.

De hersenontwikkeling van mensen die vroeg in hun leven trauma’s hebben opgelopen, is anders. De bovenste, meer rationele delen van het brein hebben zich door die trauma’s minder goed kunnen ontwikkelen. Vaak staat het gaspedaal van het primitiefste, onderste deel van hun hersenen, helemaal open. Daardoor voelen ze zich continu onveilig en zijn ze altijd op hun hoede. Omdat het bovenste deel van hun hersenen als het ware op de rem staat, maken ze moeilijker gebruik van hun slimme, cognitieve brein.’

‘De interventies van psychiaters en psychologen hebben lang niet altijd effect. Zeker niet als er alleen medicatie wordt voorgeschreven, of medicatie in combinatie met cognitieve gedragstherapie. Medicatie kan nuttig en nodig zijn zodat kinderen stabiliseren, maar het is  symptoombestrijding als je niet óók kijkt naar onderliggende oorzaken, zoals trauma’s. Herstel zit ‘m niet in dat uurtje therapie per week. Zorgen dat een kind zich gezien en gesteund voelt, en dat het gezonde, veilige relaties aan kan gaan, is waar het om draait. Dat vergroot de veerkracht en vormt een emotionele buffer tegen narigheid.

Tegen een meisje van achttien zei ik laatst dat ik het jammer vond, dat ik haar geen vriend of vriendin kon voorschrijven. Ze moest keihard lachen, ze zag direct voor zich hoe haar apotheker een laatje met vrienden opentrok. Soms raad ik kinderen of volwassenen aan een huisdier te nemen. Dat kan heel helpend zijn. Een hond, een poes of een paard doet geen rare dingen, hun aanhankelijkheid is onvoorwaardelijk. Voor mensen die ernstig beschadigd zijn in relaties, kunnen dieren veiliger voelen dan mensen.’

‘Therapieën die kinderen helpen hun emoties en stressreacties beter te reguleren. Dat leren ze alleen door het te doen en te ervaren. Met het lijf aan de slag gaan werkt beter dan cognitieve therapie: dat geldt zowel voor getraumatiseerde kinderen als voor volwassenen. Zij weten heus wel dat ze niet de boel kort en klein moeten slaan als ze boos worden. Maar weten is iets anders dan het ook doen. Dat heeft alles te maken met hoe de hersenen functioneren. Als je onder stress komt te staan, “zak je af” in je brein. Dan verlaat je het bovenste, cognitieve deel, waar je verstand zit. Je komt terecht in lagere, primitievere hersendelen. In het deel waar je emoties zitten bijvoorbeeld. Of, als de stress verder toeneemt, in de onderste regionen: het reptielenbrein.

Dat deel van je brein reageert instinctief en denkt niet na. Als je daar belandt, is je IQ nog maar 60. Dat betekent niet dat je dom bént, wel dat je dan eerder domme dingen doet. In dat onderste deel van het brein zit het stresssysteem, dat bij getraumatiseerde kinderen en volwassenen over-geactiveerd is. De kunst is om dat deel van het brein aan te spreken. Datgene wat je activeert, verandert ook. Om het stress-systeem minder actief en reactief te maken, is het belangrijk om het gedoseerd en op maat te verzwakken. Dat lukt alleen in een veilige omgeving.’

‘Door kinderen te leren voelen en hen ander gedrag te laten uitproberen. Ze hebben vaak wel emoties, maar dat wil niet zeggen dat ze die ook voelen. Als ik de diagnose eenmaal gesteld heb, schrijf ik een behandeling voor. Als dat therapie is, verwijs ik vaak door naar psychologen of vaktherapeuten.

Vaktherapeutische interventies, zoals speltherapie en psychomotorische therapie, werken vaak goed. Bij die laatste therapie leren kinderen met behulp van beweging en lichaamsgerichte technieken lichaamssignalen, gevoelens en gedrag herkennen en begrijpen. Maar de persoon die de therapie geeft, is nog belangrijker. Het gaat erom dat je echt contact maakt en de behoeften van een kind aanvoelt. Dat kost soms veel tijd. Helaas krijgen we dat onvoldoende: alles moet tegenwoordig snel en kort. Mensen zijn complex, eenvoudige oplossingen zijn er niet. Voorkomen is niet alleen beter dan genezen, ook makkelijker en goedkoper.’

‘Ouders en school vragen vaak om een snelle oplossing. Die wordt dan gezocht in medicatie voor het kind. Ik schrijf liever geen pillen voor. “Medicatie kun je vergelijken met zijwieltjes”, leg ik ouders uit. “Soms kan het niet anders, maar je kind leert er niet van fietsen.” Als ik zou mogen kiezen, zou ik de klassen per direct halveren. Ik denk dat het aantal ADHD- en aanverwante klachten dan ook halveert.

Veel mensen die in hun jongere jaren narigheid hebben meegemaakt, komen gelukkig niet in beeld bij hulpverleners en geven hun problemen ook minder door aan een volgende generatie. Dat kan met hun temperament te maken hebben, maar vooral met de steun die zij krijgen van andere mensen om zich heen: een fijne leerkracht, een vertrouwde oom, de buurvrouw die ze uitnodigde om te komen spelen. Die contacten kunnen ook helpen om vaardigheden te leren die ze niet van huis uit meekrijgen. Therapie is vaak niet therapeutisch, zeg ik wel eens. Wat we geen therapie noemen, is vaak juist heel therapeutisch.’

Wat heeft dat voor invloed op de opvoeding?

Wat bedoelt u daarmee?

Welke therapieën kunnen getraumatiseerde kinderen wél helpen?

Hoe doet u dat?

Wat helpt ouders en kinderen om te herstellen, of zo goed mogelijk om te gaan met hun trauma’s?

‘Zorgen dat een kind zich gezien en gesteund voelt, en dat het gezonde, veilige relaties aan kan gaan, is waar het om draait’

‘Degene die de therapie geeft, is nog belangrijker dan het middel. Het gaat erom dat je echt contact maakt en de behoeften van een kind aanvoelt’

Meer over de invloed van ingrijpende ervaringen in de vroege kindertijd op de gezondheid:

Meer over sociale steun:

‘Er is vaak een link tussen moeilijk gedrag van een kind en problemen waar hun ouders mee worstelen’

Interview

Auteur: Ditty Eimers  |  Leestijd: 7 minuten

‘De therapie die getraumatiseerde kinderen en hun ouders krijgen, heeft lang niet altijd effect’, zegt kinderpsychiater Roland Verdouw. ‘De aandacht van een leerkracht die zorgt dat een kind zich gezien voelt, of van een buurvrouw die uitnodigt om te komen spelen, werkt vaak wél therapeutisch.’

‘Leer getraumatiseerde kinderen weer te voelen en ander gedrag uit te proberen’

De kinderen die kinderpsychiater Roland Verdouw ziet, worden meestal naar hem doorverwezen vanwege psychische, ontwikkelings- of gedragsproblemen. Zijn specialisme is de behandeling van trauma’s bij kinderen. ‘Leerkrachten, buren en andere naasten kunnen een veel grotere rol spelen bij het vergroten van de veerkracht van mishandelde kinderen dan ze zich realiseren’, stelt hij.

Veel kinderen die langdurig te maken hebben met onveiligheid thuis, lopen trauma’s op. Wat is een trauma?

‘Ik zie dat als een set van ervaringen, die het stresssysteem actiever en reactiever maken: het staat constant in de overlevingsstand. Je hebt relationele en niet-relationele trauma’s. Bij niet-relationele trauma’s kun je denken aan psychische wonden die je oploopt door dreiging van buitenaf: een aardbeving bijvoorbeeld. Relationele trauma’s raken ons dieper, omdat ze ingaan tegen hoe we gebakken zijn: als sociale wezens hebben we anderen nodig om te overleven. Dat soort trauma’s zijn nog heftiger als ze veroorzaakt worden door mensen die je eigenlijk moeten beschermen, zoals je ouders. Dat is het geval bij kindermishandeling en verwaarlozing.’

Roland Verdouw is kinder- en jeugdpsychiater bij jeugdzorg- en GGZ-instelling Pluryn en een van de drijvende krachten achter TeamNEXT, een initiatief van professionals binnen de jeugdzorg en GGZ, dat zich op innovatieve diagnostiek en behandelinterventies richt. Via TeamNEXT wordt hij geconsulteerd bij casuïstiek van kinderen waarbij behandelaren van jeugdzorg en GGZ vastlopen.

U behandelt voornamelijk mishandelde kinderen. Wat voor klachten hebben zij?

‘Dat is bij elk kind anders. Als ze nog heel klein zijn, merk je niet zoveel, behalve dat zij vaak temperamentvoller zijn dan gemiddeld. Dat kan ook een karaktereigenschap zijn. Zolang ze klein zijn, worden hun gedrag en hun achterstand door de omgeving beter verdragen dan als ze ouder worden. Meestal blijkt pas in groep drie dat ze een ontwikkelingsachterstand hebben opgelopen. Dan zakken ze door het ijs, omdat ze niet de vaardigheden hebben ontwikkeld die passen bij hun kalenderleeftijd. Bij de overgang naar de middelbare school en het aanbreken van de puberteit gebeurt vaak iets vergelijkbaars.

De meeste getraumatiseerde kinderen hebben een combinatie van stress- en emotieregulatieproblemen. Dat kun je ADHD, ASD of OCD noemen, of een van die andere D’tjes die we in de psychiatrie hebben bedacht. We werken volgens richtlijnen. Vaak is het classificeren aan de hand van de DSM, het handboek van de psychiatrie, een voorwaarde om een behandeling te krijgen. Maar classificaties zeggen alleen iets over de klachten. Niets over de oorzaak of welke behandeling voor dit kind passend is.’

En verwaarloosde kinderen?

‘Bij kinderen die verwaarloosd zijn, zie ik veel quasi-autistisch gedrag: ze kijken je niet aan, maken moeizaam contact of zijn juist grenzeloos. Ook hebben ze vaak een combinatie van verstandelijke beperkingen, aandachts,- concentratie- en hechtingsproblemen.’

Hebben de ouders van mishandelde, getraumatiseerde kinderen zelf ook problemen?

‘Er is vaak een link tussen moeilijk gedrag van een kind en problemen waar hun ouders mee worstelen. Soms merk ik al tijdens het eerste gesprek dat een vader of moeder moeite heeft met het aangaan van contact. Ik zie veel emotieregulatieproblemen bij ouders, vaak in combinatie met verslavingsproblematiek. Dat noem ik zelfmedicatie: mensen grijpen naar verdovende middelen om hun pijn of onrust te temperen. Ook komen bij deze ouders meer dan gemiddeld depressieve klachten en psychosegevoeligheid voor. Plus allerlei lichamelijke klachten: obesitas, diabetes, hart- en vaatziekten. Inmiddels weten we uit onderzoek dat de oorsprong van veel van die aandoeningen in de vroege kindertijd ligt. Onveilige hechting kan mensen kwetsbaar maken voor allerlei lichamelijke en psychische ziektes, die meestal pas op latere leeftijd tot uiting komen.’

Meer over de invloed van ingrijpende ervaringen in de vroege kindertijd op de gezondheid:

‘Er is vaak een link tussen moeilijk gedrag van een kind en problemen waar hun ouders mee worstelen’

Wat heeft dat voor invloed op de opvoeding?

‘Dat wat je zelf niet meegekregen hebt als kind, kun je ook niet aan je eigen kinderen doorgeven. Zie het leren hanteren van emoties als het leren van een taal. Je hebt je ouders nodig om zoiets onder de knie te krijgen, en dat lukt alleen als zij in staat zijn om hun eigen emoties te reguleren. Maar ze moeten ook de behoeften van hun kind herkennen: wat het nodig heeft om zich veilig te voelen en zich te kunnen ontwikkelen. Ouders die dat niet hebben geleerd, geven hun problemen vaak door aan de volgende generatie. Niet moedwillig, maar omdat ze niet anders kunnen.

De hersenontwikkeling van mensen die vroeg in hun leven trauma’s hebben opgelopen, is anders. De bovenste, meer rationele delen van het brein hebben zich door die trauma’s minder goed kunnen ontwikkelen. Vaak staat het gaspedaal van het primitiefste, onderste deel van hun hersenen, helemaal open. Daardoor voelen ze zich continu onveilig en zijn ze altijd op hun hoede. Omdat het bovenste deel van hun hersenen als het ware op de rem staat, maken ze moeilijker gebruik van hun slimme, cognitieve brein.’

Wat helpt ouders en kinderen om te herstellen, of zo goed mogelijk om te gaan met hun trauma’s?

‘Ouders en school vragen vaak om een snelle oplossing. Die wordt dan gezocht in medicatie voor het kind. Ik schrijf liever geen pillen voor. “Medicatie kun je vergelijken met zijwieltjes”, leg ik ouders uit. “Soms kan het niet anders, maar je kind leert er niet van fietsen.” Als ik zou mogen kiezen, zou ik de klassen per direct halveren. Ik denk dat het aantal ADHD- en aanverwante klachten dan ook halveert.

Veel mensen die in hun jongere jaren narigheid hebben meegemaakt, komen gelukkig niet in beeld bij hulpverleners en geven hun problemen ook minder door aan een volgende generatie. Dat kan met hun temperament te maken hebben, maar vooral met de steun die zij krijgen van andere mensen om zich heen: een fijne leerkracht, een vertrouwde oom, de buurvrouw die ze uitnodigde om te komen spelen. Die contacten kunnen ook helpen om vaardigheden te leren die ze niet van huis uit meekrijgen. Therapie is vaak niet therapeutisch, zeg ik wel eens. Wat we geen therapie noemen, is vaak juist heel therapeutisch.’

Wat bedoelt u daarmee?

‘De interventies van psychiaters en psychologen hebben lang niet altijd effect. Zeker niet als er alleen medicatie wordt voorgeschreven, of medicatie in combinatie met cognitieve gedragstherapie. Medicatie kan nuttig en nodig zijn zodat kinderen stabiliseren, maar het is  symptoombestrijding als je niet óók kijkt naar onderliggende oorzaken, zoals trauma’s. Herstel zit ‘m niet in dat uurtje therapie per week. Zorgen dat een kind zich gezien en gesteund voelt, en dat het gezonde, veilige relaties aan kan gaan, is waar het om draait. Dat vergroot de veerkracht en vormt een emotionele buffer tegen narigheid.

‘Zorgen dat een kind zich gezien en gesteund voelt, en dat het gezonde, veilige relaties aan kan gaan, is waar het om draait’

Tegen een meisje van achttien zei ik laatst dat ik het jammer vond, dat ik haar geen vriend of vriendin kon voorschrijven. Ze moest keihard lachen, ze zag direct voor zich hoe haar apotheker een laatje met vrienden opentrok. Soms raad ik kinderen of volwassenen aan een huisdier te nemen. Dat kan heel helpend zijn. Een hond, een poes of een paard doet geen rare dingen, hun aanhankelijkheid is onvoorwaardelijk. Voor mensen die ernstig beschadigd zijn in relaties, kunnen dieren veiliger voelen dan mensen.’

Welke therapieën kunnen getraumatiseerde kinderen wél helpen?

‘Therapieën die kinderen helpen hun emoties en stressreacties beter te reguleren. Dat leren ze alleen door het te doen en te ervaren. Met het lijf aan de slag gaan werkt beter dan cognitieve therapie: dat geldt zowel voor getraumatiseerde kinderen als voor volwassenen. Zij weten heus wel dat ze niet de boel kort en klein moeten slaan als ze boos worden. Maar weten is iets anders dan het ook doen. Dat heeft alles te maken met hoe de hersenen functioneren. Als je onder stress komt te staan, “zak je af” in je brein. Dan verlaat je het bovenste, cognitieve deel, waar je verstand zit. Je komt terecht in lagere, primitievere hersendelen. In het deel waar je emoties zitten bijvoorbeeld. Of, als de stress verder toeneemt, in de onderste regionen: het reptielenbrein.

Dat deel van je brein reageert instinctief en denkt niet na. Als je daar belandt, is je IQ nog maar 60. Dat betekent niet dat je dom bént, wel dat je dan eerder domme dingen doet. In dat onderste deel van het brein zit het stresssysteem, dat bij getraumatiseerde kinderen en volwassenen over-geactiveerd is. De kunst is om dat deel van het brein aan te spreken. Datgene wat je activeert, verandert ook. Om het stress-systeem minder actief en reactief te maken, is het belangrijk om het gedoseerd en op maat te verzwakken. Dat lukt alleen in een veilige omgeving.’

‘Degene die de therapie geeft, is nog belangrijker dan het middel. Het gaat erom dat je echt contact maakt en de behoeften van een kind aanvoelt’

Hoe doet u dat?

‘Door kinderen te leren voelen en hen ander gedrag te laten uitproberen. Ze hebben vaak wel emoties, maar dat wil niet zeggen dat ze die ook voelen. Als ik de diagnose eenmaal gesteld heb, schrijf ik een behandeling voor. Als dat therapie is, verwijs ik vaak door naar psychologen of vaktherapeuten.

Vaktherapeutische interventies, zoals speltherapie en psychomotorische therapie, werken vaak goed. Bij die laatste therapie leren kinderen met behulp van beweging en lichaamsgerichte technieken lichaamssignalen, gevoelens en gedrag herkennen en begrijpen. Maar de persoon die de therapie geeft, is nog belangrijker. Het gaat erom dat je echt contact maakt en de behoeften van een kind aanvoelt. Dat kost soms veel tijd. Helaas krijgen we dat onvoldoende: alles moet tegenwoordig snel en kort. Mensen zijn complex, eenvoudige oplossingen zijn er niet. Voorkomen is niet alleen beter dan genezen, ook makkelijker en goedkoper.’

Meer over sociale steun:

Magazine over veilig opgroeien

Professionals en beleidsmakers bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen, onderzoeken, dilemma’s en besluiten rond de veiligheid van kinderen. Dat doet Augeo al 10 jaar met onder andere e-learnings, bijeenkomsten en Augeo magazine. Ons magazine verschijnt 5x per jaar. Meld je aan om gratis abonnee te worden.
Volledig scherm