Augeo Magazine

Editie 21 - december 2020

Hoe plaats je het kind écht centraal?

Het recht van kinderen om betrokken te worden bij alles wat hen aangaat, is vastgelegd in het VN-Kinderrechtenverdrag. Toch blijkt uit recent onderzoek dat dit in Nederland lang niet altijd goed gaat. Professionals, onderzoekers en ervaringsdeskundigen laten in dit magazine zien hoe het volgens hen wel lukt. 

Inhoud

Voorwoord

Het lijkt zo eenvoudig

•••• 1 ••••

Achtergrond

‘Naar de mening van het kind moet áltijd geluisterd worden’

•••• 2 ••••

Breinontwikkeling

Hoe vraag je de mening van een peuter of (pre)puber? 

•••• 3 ••••

Ervaringsverhaal

‘Als niemand iets vraagt, laat ik het achterste van mijn tong niet zien’

•••• 4 ••••

Onder professionals

6 lastige situaties - hoe betrek jij het kind?

•••• 5 ••••

In de praktijk

‘Een kind voelt zich veiliger bij een helder verhaal’

•••• 6 ••••

Uitgelegd

Wat kan er wel/niet bij participatie van minderjarigen?

•••• 7 ••••

Jongeren reageren op onderzoek

Ik schrik ervan dat er zo laat wordt ingegrepen’

•••• 8 ••••

Over Augeo

Samen geven we kindermishandeling geen toekomst

•••• 9 ••••

Voorwoord

Edith Geurts

Hoofdredacteur 

Augeo Magazine

Leestijd: 1,5 minuut

Het kind centraal - het lijkt zo eenvoudig

Als volwassene wil je iets doen voor een kind dat thuis onveilig opgroeit. Vanzelfsprekend heb je zijn belang daarbij voor ogen. Toch ervaren deze kinderen dat niet altijd zo. Uit recent onderzoek van de Kindertelefoon blijkt bijvoorbeeld dat ruim 40 procent van de kinderen die contact opnamen om te praten over kindermishandeling eerder al wel iemand in vertrouwen had genomen (een vriend, een leerkracht of familielid), maar dat ruim 1 op de 3 zich niet gehoord of serieus genomen voelde.

Ook uit het recent gepubliceerde onderzoek Kwestie van lange adem van Verwey-Jonker Instituut blijkt dat kinderen na een melding bij Veilig Thuis lang niet altijd centraal staan in de vervolgstappen. Bijna de helft van de kinderen heeft geen formele hulp ontvangen en 60 procent voelt zich niet gesteund door mensen in de omgeving. Terwijl deze kinderen kampen met forse problemen, zoals traumaklachten, hechtings- en gedragsproblemen. Daar hebben zij hulp bij nodig.

Om te kunnen handelen in het belang van de kinderen moet je ze betrekken bij de stappen die je gaat zetten. Ook dat klinkt vanzelfsprekend, maar is het te vaak niet. Van mishandelde kinderen horen we vaak dat er óver hen wordt gesproken in plaats van mét hen. Maar als je hen vraagt hoe ze dan betrokken willen worden, dan laten ze het vrij eenvoudig klinken:

  • Vraag naar mijn mening.
  • Geef me uitleg.
  • Laat me weten wat je gaat doen.


Zo eenvoudig als het lijkt, is het in de praktijk dus niet. Over wat het zo moeilijk maakt en hoe je daar als professional toch je weg in kunt vinden, gaat deze editie van Augeo magazine.

PS Dit najaar voerde Augeo Foundation de campagne Kind Centraal, waarin je met zes challenges kon oefenen hoe je kunt handelen in het belang van kinderen. Deze challenges zijn nog te volgen.

Bij een onveilige thuissituatie nemen professionals vaak beslissingen over onder meer ouderlijk gezag of uithuisplaatsing die enorme gevolgen hebben voor de betrokken kinderen. Als een kind niet meegenomen wordt in het beslisproces, geen uitleg krijgt of niet gehoord wordt over zijn mening, kan dat volgens deskundigen traumatisch zijn.


Het recht van een kind om zijn mening te geven is daarom verankerd in nationale en internationale verdragen, zoals het VN-Kinderrechtenverdrag (1989). Nederlandse kinderen hebben – ook al staan ze tot 18 jaar onder gezag van hun ouders of voogd – het recht om hun mening te geven. Dat is overigens vrijwillig. Niemand mag een kind hiertoe dwingen.

Lees het VN-Kinderrechtenverdrag over dit recht

De tekst uit het VN-Kinderrechtenverdrag, artikel 12 luidt:

Lid 1  De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.


Lid 2 Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.

Erg pijnlijk

Mariëlle Bahlmann is juridisch adviseur bij Defence for Children en doet onderzoek naar het betrekken van jonge kinderen bij de besluitvorming rond gedwongen uithuisplaatsing. Dit doet ze in samenwerking met de Rijksuniversiteit van Groningen (RUG).


Bahlmann sprak voor haar onderzoek dertien kinderrechters over gedwongen uithuisplaatsing waar kinderen van jonger dan 12 jaar bij betrokken waren. Ze merkte dat die rechters terughoudend waren bij het vragen naar de mening van het kind. ‘Zij vreesden dat ze het te veel zouden belasten met dit gesprek of ze vonden dat de mening van het kind al voldoende naar voren kwam in het dossier.’

‘Verdriet en boosheid over het niet gehoord worden, kunnen ze voor altijd met zich meedragen’
John Doe

Bahlmann is ervan overtuigd dat alle kinderen die dat willen, gehoord moeten worden door de rechter. Ook als ze jonger dan 12 jaar zijn. ‘Vergeet niet, een rechter neemt besluiten die de toekomst van het kind betreffen. Het niet gehoord worden is voor kinderen erg pijnlijk. Verdriet en boosheid hierover kunnen zij hun hele leven met zich meedragen.’ Als een kind wel mag meepraten, krijgt het meer controle over zijn leven en groeit zijn zelfvertrouwen. Kinderen zijn daarna zelfs eerder bereid een besluit te accepteren dat niet hun voorkeur had (zie ook kader: 'Waarom participatie?').


‘Ik sprak de afgelopen jaren veel kinderen. Ik weet dat het hen pijn doet als ze niet worden gehoord. Tijdens mijn onderzoek vertelden jongvolwassenen dat ze het zo enorm jammer vonden dat zij als kind niet mochten meebeslissen over besluiten die hun leven betroffen. Jaren later hadden ze daar nog verdriet over.’


Er zijn natuurlijk altijd gegronde redenen denkbaar waarom een rechter besluit om een kind niet te horen – of om wat het kind inbrengt naast zich neer te leggen, zegt Bahlmann. Bijvoorbeeld als ouders proberen hun conflict uit te vechten via het kind door het instructies te geven over wat het moet zeggen. ‘Dan is het wel belangrijk dat de rechter dat uitlegt aan het kind, zodat het begrijpt waarom zijn voorkeur niet is gehonoreerd.’

Waarom participatie?

Kinderen zijn cruciale gesprekspartners: zij kunnen als enigen vertellen hoe zij hun situatie beleven en ze zijn vaak goed in staat om mee te denken over mogelijke oplossingsrichtingen. 

Professionals kunnen alleen een goede inschatting maken als ze kinderen zelf vragen waar zij behoefte aan hebben. Dat maakt een betere beslissing in het belang van het kind mogelijk. 


Veerkracht

Kinderen die thuis veel onvoorspelbaarheid en onveiligheid hebben meegemaakt, hebben het ook nódig dat professionals ze serieus nemen en betrekken bij belangrijke beslissingen.

Dat kan hun gevoel van controle, het zelfvertrouwen én het vertrouwen in volwassenen versterken, waardoor hun natuurlijke veerkracht vergroot en zij beter kunnen herstellen van hun ervaringen. 


Acceptatie

Als kinderen betrokken worden bij beslissingen over hun situatie heeft dat een positieve invloed op de veiligheid van kinderen en het slagen van interventies, blijkt uit onderzoek. Ook zijn kinderen als zij hun mening hebben mogen geven eerder bereid een besluit te accepteren, ook als dat besluit niet hun voorkeur had.


Bron: Handreiking Participatie van kinderen in de meldcode

Kinderombudsman

In de praktijk blijken veel professionals te worstelen met participatie door het kind. In 2016 concludeerde de Kinderombudsman in een inspectierapport dat mishandelde kinderen te weinig geïnformeerd en gehoord werden bij beslissingen en juridische procedures die hen aangingen. En als er wel een mening werd gevraagd, gebeurde dit vaak te laat. Bovendien vonden de kinderen dat hulpverleners en omstanders te veel naar ouders of andere volwassenen luisterden.

Samen beslissen

Jan Pieter Meijer heeft als specialist Spoedeisende Jeugdzorg bij Jeugdbescherming Gelderland te maken met crisissituaties waarin de veiligheid en het welzijn van kinderen in het gedrang zijn. Volgens Meijer is het essentieel om een vertrouwensrelatie met het kind aan te gaan alvorens het te vragen naar zijn mening. ‘Mijn grondhouding is dat ik áltijd luister naar het verhaal van een kind. Er bestaan wat mij betreft geen taboes. Ik luister zonder oordeel zodat kinderen hun ervaringen en wensen met mij durven delen.’

‘Hulpverleners praten vaak niet mét maar óver het kind’
John Doe

Om een kind te helpen bij het delen van ervaringen, is het volgens Meijer belangrijk dat een professional zich bescheiden opstelt. Dikwijls gaat het mis doordat hulpverleners niet mét maar óver het kind praten. ‘En: doe niet net of je alles weet als dat niet zo is. Luister zonder vooringenomenheid. Wees eerlijk. Ook als je een onprettige boodschap moet brengen. Kinderen kunnen de waarheid goed aan. Ze voelen het haarfijn aan als je niet oprecht bent.’ 


In de meeste gevallen neemt Meijer besluiten in samenspraak met het kind. Als dat in de praktijk niet mogelijk blijkt, legt hij het kind duidelijk uit wat hiervoor de reden is. ‘Een eerlijk antwoord stelt een kind gerust. Het weet dan waar het aan toe is. Ik beloof een kind ook nooit iets wat ik niet kan waarmaken. Dat kan zo schadelijk zijn dat een kind niemand meer durft te vertrouwen.’


Meijer sprak eens een jonge vrouw die als kind uit huis was geplaatst. Ze was boos op alle hulpverleners omdat die haar nooit iets hadden gevraagd. Als kind ging ze in verzet tegen de uithuisplaatsing en weigerde elke medewerking. Tegen haar nadrukkelijke wens in belandde ze in een instelling. Van dat besluit en haar verzet heeft ze later veel last gehad. Het zette haar persoonlijke ontwikkeling en groei op een achterstand.

In crisissituaties

Dat je soms de mening van een kind naast je neer moet leggen, maakte Meijer toevallig mee in de nacht voor dit interview. Hij ontving een politiemelding: twee zusjes van 16 en 7 jaar stonden op straat. De kinderen logeerden bij hun opa en alcoholistische oom. Er ontstond een conflict met veel geschreeuw en de meisjes vluchtten de straat op.


De moeder kwam naar het huis en wilde haar dochters meenemen. Meijer: ‘Prima, einde van de crisis zou je denken. Maar die vlieger ging niet op. De oudste dochter wilde per se bij de opa en oom blijven logeren. De reden hiervoor was dat zij haar 22-jarige vriend, die in dezelfde stad woonde, dan kon zien.’


De dochter probeerde de regie over te nemen door haar moeder en Meijer gerust te stellen. Meijer: ‘Op zo’n moment is mijn hoofd een snelkookpan. Het is half twee ’s nachts, de gemoederen lopen op, het oudste meisje manipuleert, moeder is besluiteloos en het 7-jarige zusje huilt en wil naar mama. Op dat moment wil ik iets bereiken, namelijk dat de kinderen mee naar hun ouders gaan. Tegelijkertijd wil ik ook naar het oudste kind luisteren.’

‘Pas als het verhaal compleet is, kun je een besluit nemen dat recht doet aan iedereen’
John Doe

In deze situatie was het volgens Meijer niet in het belang van de meisjes om langer bij de opa en oom te blijven. De veiligheid van de oudste dochter ging volgens hem boven haar verlangen om bij haar vriend te zijn. Na uitleg van Meijer ging ook zij zonder problemen met haar moeder naar huis.


Maar wat doet Meijer als hij in een crisissituatie niet iedereen kan horen? ‘Dan stel ik het besluit uit, net zolang tot alle betrokkenen  ̶  kind, ouders en professionals  ̶  hun mening hebben kunnen geven.’ Volgens hem kan dat zelfs tijdens een crisis. ‘Pas als het hele verhaal compleet is, kun je een besluit nemen dat recht doet aan iedereen.’

Wijzen op rechten

‘Veel kinderen hebben geen idee dat zij ook rechten hebben en dat hun mening serieus genomen moet worden door volwassenen,’ vertelt juridisch adviseur Mariëlle Bahlmann. Het is aan professionals om hen op die rechten te wijzen en ze verder te helpen. Bahlmann herinnert zich een 15-jarig meisje dat aanklopte bij Defence for Children. Ze woonde in een ander pleeggezin dan haar jongere broertjes en mistte hun enorm. Diverse keren vroeg ze haar voogd of zij haar broertjes vaker mocht zien. Tevergeefs.


‘Ik heb samen met haar een brief aan de rechter opgesteld met het verzoek om een bijzondere curator te benoemen. Die wordt aangesteld als er een conflict bestaat tussen een kind en een ouder met gezag, of als het kind knel zit tussen beide ouders. Een rechter geeft de bijzondere curator een onderzoekersvraag zoals: Wat is in deze situatie het belang van het kind?’ Die bijzondere curator is benoemd. ‘Het meisje was heel blij dat er eindelijk iemand naar haar luisterde en haar serieus nam.’ 

5 richtlijnen voor participatie van kinderen

1. Informeren

Informeer een kind over onderwerpen die relevant zijn voor zijn situatie. Hierdoor kan het zelf een mening vormen en die uiten. Leg bovendien uit wat de mogelijke gevolgen zijn van die mening op de situatie waarin het kind zich bevindt. Daarnaast is het belangrijk dat een kind vooraf weet hoe, wanneer, waar, waarom en met wie het gaat praten.

2. Gesprek

Met goede gespreks- en luistervaardigheden zoals aandachtig luisteren, vriendelijkheid en aanmoediging, help je een kind om zijn mening te delen. Daarbij is de omgeving waar het gesprek plaatsvindt erg belangrijk. Een kind moet over de locatie mogen meebeslissen.

3. Wegen van de mening

Bij het meewegen van de mening van een kind is van belang of het kind in staat is om de situatie goed te begrijpen, zijn wensen te verwoorden en de consequenties van een beslissing te overzien.

4. Terugkoppeling

Informeer een kind altijd over genomen besluiten, zodat het zich serieus genomen voelt. Voor jezelf is die terugkoppeling bovendien een goede check of je de mening van het kind voldoende hebt meegenomen.

5. Verweer tegen een besluit

Als een kind vindt dat zijn mening onvoldoende is meegenomen of als er onvoldoende uitleg is gegeven, kan het zich verweren. Daarvoor is van belang dat je het kind informeert over welke klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures mogelijk zijn.

Bron: Handreiking Participatie van kinderen in de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, een uitgave van Augeo Foundation en het ministerie van WVS

Achtergrond

‘Naar de mening van het kind moet áltijd geluisterd worden’

Niet voor niets heeft elk kind het recht om zijn mening te geven over beslissingen die hem of haar aangaan. Participatie draagt bij aan acceptatie en verwerking van de situatie. Mariëlle Bahlmann deed onderzoek naar het meebeslissen door kinderen, Jan Pieter Meijer kent de – soms lastige – praktijk.

Auteur: Petra Wolthuis

Leestijd: 6 minuten

Breinontwikkeling

Hoe vraag je de mening van een peuter of (pre)puber? 

Vanaf welke leeftijd kán een kind eigenlijk een mening vormen? En overziet het de consequenties ervan dan ook? Orthopedagoog en IMH-consulent Nanniek Bijen en hersenonderzoeker Michelle Achterberg over inspelen op de ontwikkeling van het kinderbrein  ̶  in drie belangrijke fasen.

Leestijd: 5,5 minuten

Peuters (2 tot 4 jaar)

Peuters (2 tot 4 jaar)

Orthopedagoog Nanniek Bijen: ‘De hersenontwikkeling verloopt voor elk kind anders, maar grofweg kun je zeggen dat bij peuters de executieve functies zich nog verder moeten ontwikkelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het overzien van situaties, het kunnen vooruitdenken en het reguleren van emoties. Tegelijkertijd beginnen peuters te leren om vanuit zichzelf te redeneren. Hun behoefte aan autonomie groeit. Ze kunnen dan ook goed aangeven wat wel of niet prettig voelt, of bij wie ze zich wel of niet veilig voelen. Dat zie je bij peuters die in een kinderdagverblijf vaak verschillende relaties aangaan met verschillende leidsters.

De taalvaardigheid is nog volop in ontwikkeling, dus je haalt op deze leeftijd meer informatie uit hun spel dan uit een gesprek. Bij kleuters ontwikkelt de taal zich sneller, zij kunnen meer en beter verwoorden.’

Je zorgen uiten

‘In mijn praktijk werk ik met Minding the baby en Speaking through the child. In deze aanpak betrek je het kind, hoe jong ook, bij een gesprek met de ouders of verzorgers. Je praat via het kind met de ouders. Laatst was ik in gesprek met een moeder toen haar peuter zijn hoofd stootte en begon te huilen. Hij bleef huilen, terwijl zijn moeder met mij bleef praten. Ik draaide me om naar de peuter en zei: “Volgens mij heb jij je zeer gedaan, of niet? Zou je het fijn vinden als mama jou even troost?” Toen zijn moeder inderdaad opstond om hem op te tillen, zei ik: “Wat fijn dat jouw mama jou nu kan troosten en jij weer rustig wordt.” Zo bereik je de ouders beter én betrek je een kind bij het gesprek. Er wordt niet óver hem gesproken maar mét hem.’

Een mening vragen

‘Voor de 2- en 3-jarigen is het lastig om een mening te uiten, alleen al omdat hun taalvaardigheid dat nog niet toelaat. Het werkt dan ook beter om via spel meer te weten te komen over hoe zij een situatie ervaren. Peuters verwerken veel van wat ze meemaken in fantasiespel en functioneel spel, waarmee ze de werkelijkheid nadoen. Daarmee krijg je als hulpverlener inzicht in hoe kinderen dingen verwerken en wat er thuis speelt.


Je kunt spel ook gebruiken om meer te weten te komen over hoe kinderen zich voelen over een situatie. Als een kind in de poppenhoek een pop een tik op de billen geeft omdat ze niet wil eten, kun je daarop ingaan. “Oh, wat gebeurt er nu? Wat ben je aan het doen? Hoe gaat dat bij jou thuis als je niet wilt eten? Wat vind je daarvan?”

‘Je moet goed kijken naar de interactie tussen ouder en kind om te zien wat een kind daadwerkelijk ervaart’
John Doe

Het is goed om je te realiseren dat kinderen loyaal blijven aan hun ouders, wat er ook gebeurt. Meepraten en meedenken is daardoor lastig. Je moet goed kijken naar de interactie tussen ouder en kind om te zien wat een kind daadwerkelijk ervaart. Een baby die stress heeft, krijgt klamme handjes, het kijkt of kruipt weg, en probeert zoveel mogelijk uit het contact te gaan. Peuters kunnen clownesk gedrag vertonen of blijven juist apathisch in een hoekje zitten.  

 

Een mening geven is dus lastig op deze jonge leeftijd. Vaak werkt het bij peuters het best om ze een keuze te geven. Niet: “Wat wil je gaan doen?”, maar: “Wil je puzzelen of tekenen?” Als het om keuzes gaat die met de veiligheid van het kind te maken hebben, wordt het discutabel. Je kunt als professional het kind geen woorden in de mond leggen.’

Prepubers (7 tot 12 jaar)

Prepubers (7 tot 12 jaar)

Hersenonderzoeker Michelle Achterberg: ‘De prefrontale cortex maakt vanaf het 7e levensjaar een enorme ontwikkeling door. Kinderen kunnen beter beredeneren, maar ook beter hun emoties en gedrag reguleren. Uit mijn onderzoek naar agressieregulatie in relatie tot hersenontwikkeling blijkt bijvoorbeeld dat kinderen die afgewezen worden minder agressie laten zien als hun prefrontale cortex meer groei laat zien.


Tussen het 10e en 12e levensjaar versnelt de hersenontwikkeling. Vooral de sociaal-emotionele ontwikkeling, die gelinkt is aan de subcorticale hersenen, maakt een sprong. De puberteitshormonen zorgen ervoor dat de subcorticale hersenen, waar ook het beloningscentrum zich bevindt, hypersensitief zijn. De prefrontale cortex werkt wel, maar kan het tempo van de subcorticale hersenen niet bijbenen. Het gevolg: een disbalans. Tieners handelen daardoor vooral vanuit emoties en korte-termijnbeloningen, en vinden het lastiger om te plannen en risico’s in te schatten.’ 

Je zorgen uiten

Michelle Achterberg: ‘Bij kinderen onder de 10 jaar is dit vooral een kwestie van uitleggen. Je vertelt wat een onveilige situatie sociaal-emotioneel met het kind kan doen en dat het hier later nog last van kan houden. De jongere prepubers overzien de emotionele gevolgen zelf nog niet. Daar kun je ze op wijzen, aangepast aan hun niveau natuurlijk.’


Orthopedagoog Nanniek Bijen: ‘Het kan ook helpend zijn om emoties die je ziet te benoemen. Zo laat je merken dat je meer ziet en hoort dan wat het kind vertelt. Dat biedt een opening om over de emoties te praten. Het is wel altijd belangrijk om respectvol over en tegen de ouders te blijven. Als je de ouders afvalt, kun je ook een deel van het kind afvallen.’

Een mening vragen

Michelle Achterberg: ‘In een sociale context, onder invloed van leeftijdsgenoten, en in stressvolle situaties is het voor prepubers lastiger om te redeneren. Uit recent onderzoek weten we dat emoties minder invloed hebben als de kinderen zich in een neutrale setting bevinden. Daar blijken ze best goed te kunnen redeneren. Houd daar als hulpverlener rekening mee door af te spreken op een neutrale plek, of door een kind een brief te laten schrijven.

‘Om de emoties ervan af te halen, kun je vanuit een ander perspectief praten’
John Doe

Zeker als je om een mening vraagt, helpt het om de emoties ervan af te halen. Dat kun je bijvoorbeeld doen door vanuit een ander perspectief te praten. Je bespreekt een fictieve casus en vraagt het kind om zijn advies of mening. Stel jij bent deze persoon, wat zou jij dan graag willen?’

Pubers (12 tot 18 jaar)

12 tot 18 jaar (pubers)

Hersenonderzoeker Michelle Achterberg: ‘De ontwikkeling van de hypersensitieve subcorticale hersenen – en dus van de grote gevoeligheid voor beloning en emoties – gaat door en bereikt een piek in ongeveer het 15e levensjaar. Dat verschilt natuurlijk per kind, want deze is afhankelijk van hormonen. Het ene kind komt eerder in de puberteit dan het andere. Terwijl de prefrontale cortex zich verder ontwikkelt, wordt de invloed van de emotionele gebieden kleiner. Langzaam komt er dan ook meer balans en zijn pubers meer in staat tot plannen en redeneren. Die ontwikkeling loopt door tot in de volwassen leeftijd, soms wel tot het 25e levensjaar.’

Je zorgen uiten

‘Vanaf het 15e levensjaar zullen pubers steeds meer begrijpen van je uitleg over je zorgen. Ook begrijpen ze beter dat een huidige onveilige situatie schadelijk kan zijn voor hun ontwikkeling op de lange termijn.’

Een mening vragen

‘Tot het 15e levensjaar zul je goed moeten uitleggen wat de gevolgen zijn van wat het kind vindt en wil. Omdat pubers nog erg gericht zijn op de korte termijn, zullen ze niet goed inschatten wat het effect op de lange termijn is. 

Bepaalde beslissingen hebben een leven lang impact, dus het is goed om juist die lange-termijnconsequenties goed te benadrukken. “Misschien vind je het nu wel beter om bij je moeder te blijven wonen, maar hoe is dat over twee jaar als zij haar alcoholgebruik nog steeds niet onder controle heeft?” Eigenlijk is dat nog nodig tot de vroege volwassenheid.’

Ervaringsverhaal

‘Als niemand iets vraagt, laat ik het achterste van mijn tong niet zien’

Als kind van incapabele ouders was Katja (nu 22) thuis verantwoordelijk voor álles. De huisarts, school, de familie… Maar niemand greep in. Toen ze bijna stikte, vluchtte ze het huis uit. ‘Mijn moeder vond het vreselijk dat haar hulp in de huishouding vertrok.’

Auteur: Annemarie van Dijk

Leestijd: 5 minuten

Lees verder

‘Als kind dacht ik dat het in ieder gezin zo was. Ik had geen idee dat het niet normaal was, zoals het er bij mij thuis aan toeging. Oké, dat je een kind niet mag slaan, dat wist ik. Maar dat het niet normaal is als je alles moet doen in huis en nooit aandacht en liefde krijgt, dat inzicht kwam pas later.

Ik ben enig kind. Toen ik 6 was, kreeg mijn vader een ernstig ongeluk. Daarna was hij lichamelijk beperkt en ook verstandelijk beperkt. Dat hij er een herseninfarct overheen kreeg, maakte het niet beter. Hij sliep vooral, zittend in zijn rolstoel, had altijd pijn en hij was constant duizelig. Met hem praten kon ik niet. Misschien was hij vóór het ongeluk wel een echte vader voor me, maar daar weet ik niets meer van. Mijn moeder kon de zorg voor hem niet aan. Op stoornissen is ze nooit getest, maar ik weet zeker dat er iets met haar is. Ze is heel laag opgeleid, psychisch instabiel, moet veel huilen. Ook heeft ze extreme obesitas, wat haar enorm beperkt in haar doen en laten. Een keer met mij naar een pretpark gaan of gewoon een wandeling maken, zit er niet in.’

Kapotte kleren

‘Vanaf ongeveer mijn 8e jaar deed ik van alles in huis. Maaltijden koken, het huishouden, voor mijn vader zorgen. Ik moest wel, anders liep alles in het honderd. Mijn moeder snapte niets van financiën, dus alles wat met geld te maken had, regelde ik ook. Ik was voortdurend bang dat het geld opraakte.


We leefden van de uitkering van mijn vader. Dat was armoede, ik liep meestal in kapotte kleren. De rekenmachine die ik voor school nodig had, konden we niet betalen. Dat gaf me stress. En ik voelde me buitengesloten omdat ik niet kon meedoen met de dingen die leeftijdsgenoten deden. Achteraf bezien was ik overbelast door al die taken en zorgen. Bovendien werd ik gepest met mijn gekke vader.

Als ik genoeg aandacht en liefde had gekregen, was het allemaal niet zo’n probleem geweest. Maar die kreeg ik niet. Een-op-een-tijd met mijn moeder was er vrijwel niet. Ze vroeg af en toe wel hoe het met me ging, maar belastte mij ook met haar zorgen.

‘Soms deed mijn moeder best lief, maar ze greep niet in als mijn vader me sloeg’
John Doe

Het ergste was dat ze zo onvoorspelbaar kon reageren. Soms deed ze best lief, maar ze greep niet in als mijn vader me uit frustratie sloeg. “Ik werd vroeger thuis ook weleens geslagen,” zei ze dan. In de loop der jaren kregen we steeds vaker ruzie. Nu weet ik dat mijn moeder hulp had kunnen inschakelen. Waarom deed ze dat dan niet?’

Eén vriendin

‘Blijkbaar gedroeg ik me buitenshuis vrij normaal, want op de basisschool merkten ze niets aan me. Ik was slim en goed in alle vakken. Op de middelbare school ging het minder goed, ik kon me slecht concentreren en bleef zitten. In die tijd ben ik een tijdje bij een psycholoog geweest. Volgens haar had ik trauma’s opgelopen door alle medische incidenten in de jaren na het ongeluk van mijn vader. Als mijn vader bijvoorbeeld viel, moest hij worden opgehaald door een ambulance.

Dat er veel meer aan de hand was, had de psycholoog niet in de gaten. Ik heb weinig aan haar gehad. Verder trok niemand aan de bel. Familie kwam nooit op bezoek, ze wisten nauwelijks wat er allemaal speelde. Ik had één vriendin. Zij zag wel dat het bij ons thuis niet goed ging. Om de situatie thuis te ontvluchten, was ik vaak bij haar. Haar ouders spraken soms met mijn moeder, maar grepen niet in.

‘“Ga je studeren? Dat kun je tóch niet,” zei mijn moeder’
John Doe

Na tien jaar mantelzorgen stikte ik bijna. Ik wilde een eigen leven beginnen en ben het huis uit gegaan. “Ga je studeren? Dat kun je tóch niet,” zei mijn moeder. Ze vond het vreselijk dat haar hulp in de huishouding vertrok. Maar inmiddels ben ik afgestudeerd als sociaalpedagogisch hulpverlener en werk ik zelf in de jeugdzorg. Het gaat best goed met mij. Ik functioneer normaal, heb een fulltime baan. Toch merk ik dat ik er nog niet klaar mee ben. Vooral mensen vertrouwen vind ik moeilijk. Vriendinnen heb ik nauwelijks, gelukkig wel een fijne vriend die wél in mij gelooft.


Ik kom nog maar een of twee keer per jaar thuis. Om de ellende daar niet meer te hoeven zien, ben ik ver weg gaan wonen. Als ik er kom, is het een enorme rommel. Mijn vader gaat steeds verder achteruit. Dat vind ik zo pijnlijk om te zien dat ik er na een bezoek nog weken over pieker. Mijn moeder wil niet inzien dat ze fouten heeft gemaakt. Soms belt ze me: “Je móét nu komen!” en is dan boos dat ik niet kom.’

Nog verdriet

‘Het ergste aan mijn jeugd was dat ik me niet gezien voelde en dat ik niet kon meedoen met leeftijdsgenoten. Juist dingen als lid zijn van een sportclub of meegaan op schoolreisjes heb ik gemist. Daar heb ik ook nu als volwassene nog veel verdriet van.


Welke therapie me zou kunnen helpen?, ik heb geen idee. Eigenlijk hoop ik dat het langzamerhand vanzelf beter met me gaat. Achteraf besef ik wel dat volwassenen in mijn omgeving iets hadden kunnen doen. De huisarts – die uiteraard wist van de beperking van mijn vader – had kunnen vragen of er mantelzorgondersteuning nodig was en of mijn moeder behoefte had een aan hulpverlener bij wie ze haar verhaal kwijt kon.


En psycholoog die betrokken was, had niet alleen moeten kijken naar mijn trauma’s, maar ook naar mijn loyaliteits- en verantwoordelijkheidsgevoel – en vooral ook naar het hele gezinssysteem. Als thuis alles op dezelfde manier doorgaat, heeft het geen nut om alleen het kind te behandelen.

‘In mijn werk heb ik enorme voelsprieten voor hoe het met kinderen gaat’
John Doe

Wat ik eraan heb overgehouden, zijn enorme voelsprieten voor hoe het met kinderen gaat bij wie ik via mijn werk betrokken ben. Ik weet zeker dat ervaringsdeskundigheid heel nuttig is in de jeugdzorg. Daar moet meer ruimte voor zijn. Zo let ik extra op zaken als armoede, mantelzorg en een ouder die zwakbegaafd is. Zulke risicofactoren kunnen een negatieve invloed hebben op een kind. Daarom ga ik altijd het gesprek aan met een kind. Ik wil kijken wat ik kan doen om zo’n kind een zorgelozer jeugd te geven.’

Onder professionals

6 lastige situaties - hoe betrek jij het kind?

Een kind centraal zetten en betrekken bij beslissingen, lijkt vaak makkelijker dan het is. Want wat doe je als het kind nog heel jong is, of laagbegaafd? En wat als het niet wil praten omdat de ouders dat verboden hebben? Zes professionals vertellen hoe zij daarmee omgaan.

Auteur: Annemarie van Dijk

Leestijd: 1,5 minuten per blokje

Hoe betrek je een kind... 

… als het nog heel jong is?

Hoe betrek je een kind...

… als het nog heel jong is?

Zillah Holtkamp, Infant Mental Health-specialist en gz-psycholoog: ‘Kleintjes zijn veel thuis. Dat maakt het signaleren van onveiligheid bij deze groep moeilijker. Is het thuis niet prettig, dan heb je daar als professional weinig zicht op. Ook kunnen jonge kinderen er nog geen woorden aan geven. Ouders delen hun verhaal niet altijd en zijn soms zelf ook opgegroeid in een onveilige situatie waardoor ze de onveiligheid niet als zodanig herkennen.


Toch geven baby’s, peuters en kleuters wel subtiele, non-verbale signalen, is de visie van Infant Mental Health. Ze hebben overlevingsvaardigheden om te groeien en om zich te ontwikkelen. Net als iedereen reageren ze op onveilige situaties door te vechten, te vluchten of te bevriezen. 

Vechten kan makkelijk te herkennen zijn: het kind huilt of balt zijn vuisten. Maar bij vluchten, zoals oogcontact vermijden of het gezicht wegdraaien, is dat al lastiger. Bevriezen is bijvoorbeeld stil in de box liggen, je niet laten horen of een groeiachterstand hebben – dat laatste zie ik in mijn praktijk weleens als een kind chronisch tekortkomt. Andere kinderen bouwen geen band op met anderen omdat ze niet geleerd hebben om iemand te vertrouwen.

‘Ga altijd na: waarom doet dit kind wat het doet?’
John Doe

Probeer als professional altijd na te gaan: waarom doet dit kind wat het doet? Dit soort gedrag is niet altijd concreet, zoals blauwe plekken of nare tekeningen dat wel zijn. Vanuit de Infant Mental Health-visie betrekken we daarom altijd de ouders erbij: zien jullie dat ook? We beschuldigen ze niet, maar leggen uit dat jonge kinderen opvoeden wel tot extra spanning kan leiden. Je krijgt weinig slaap en kinderen huilen vaak. Logisch dat het tot stress en prikkelbaarheid leidt. Dat zouden we in Nederland meer laagdrempelig moeten bespreken. Als je niet verder komt in een gesprek met de ouders kun je altijd nog professionele hulp inschakelen. Ook tijdig Veilig Thuis raadplegen is belangrijk.’

… als het laagbegaafd is?

… als het laagbegaafd is?

Yvonne Teiwes, stagecoördinator op de Martin Luther Kingschool, een ZMLK-school in Purmerend: ‘De kinderen op onze school hebben een IQ tussen 28 en 100. Ze kunnen vaak niet aangeven of het wel of niet goed met hen gaat. We werken hard aan het opbouwen van een vertrouwensband met de kinderen, zodat ze ons dingen durven toevertrouwen. Kan het kind het niet zelf aangeven, dan vertrouwen we op onze voelsprieten. Als een kind bijvoorbeeld steeds stilletjes in zijn eentje in een hoekje zit, gaan we met hem in gesprek en kijken we of we de reden boven tafel kunnen krijgen.

‘Als het kan, praten we ook samen met het kind en zijn ouders’
John Doe

Als het kind iets in vertrouwen aan je heeft verteld, moet je er vaak iets mee doen. Dat is voor een kind best moeilijk om te accepteren. Daarom zeggen we altijd dat we alles wat we gaan doen van tevoren met hem of haar bespreken. Dat we eerst met papa en mama gaan praten om te kijken of we een oplossing kunnen vinden. Als het kan, praten we ook samen met het kind en zijn ouders.


Soms blijkt dat het een ouder thuis allemaal te veel is. Dan gaat het weleens mis en wordt het kind slachtoffer van kindermishandeling. Of er speelt verwaarlozing, dan zie je dat kinderen wekenlang dezelfde trui en broek naar school dragen. Of nooit een ontbijt krijgen thuis. Ouders vinden het meestal moeilijk om er voor uit te komen.


We zeggen altijd dat we dat volkomen begrijpen en dat we graag helpen. Eventueel schakelen we meer partijen in. Iemand van de politie of de kinderbescherming bijvoorbeeld. Soms komt een kind ons later vertellen dat het beter gaat thuis. Dat er nu wel elke ochtend ontbijt is. Dat is fijn.


Sommige kinderen denken zelf mee. Zoals een 17-jarig meisje dat thuis doodongelukkig was omdat haar ouders steeds vechtend over de grond rolden. We vroegen of ze iemand kende bij wie ze kon wonen. Zij woont nu bij een vriendin en komt weer regelmatig thuis, want het gaat daar veel beter.’

… als je alleen de ouders ziet? 

… als je alleen de ouders ziet? 

Francis Dingemanse, preventieadviseur KOPP/KVO bij Indigo Brabant: ‘Als een ouder zich bij ons meldt voor begeleiding of wordt doorverwezen door bijvoorbeeld de ggz of Veilig Thuis, checken we meteen hoe de thuissituatie eruitziet. Wat merken de kinderen van hun psychische problemen? Mogen ze met anderen hierover praten? Bij welke veilige volwassenen kan het kind terecht?


Ouders schamen zich vaak voor hun psychische ziekte, en ook kinderen generen zich soms als het bij hen heel anders gaat dan bij vriendjes thuis. Terwijl het enorm belangrijk voor hen is om erover te praten. Het lucht op zodat ze onder andere beter slapen, minder piekeren en minder boos of verdrietig zijn. Bovendien lopen ze minder kans om later zelf een psychische ziekte te krijgen.


Ouders doen hun best, maar voelen zich toch vaak schuldig omdat ze tekortschieten als het om hun kind gaat. In de begeleiding gaan we in op wat ze wél goed doen en hoe ze dat kunnen uitbreiden.

‘Kinderen weten vaak niet eens welke ziekte hun ouder heeft’
John Doe

Ook vragen we of ze hun kind willen uitleggen wat voor ziekte ze hebben. Kinderen weten dat vaak niet eens. Als ze weten wat er aan de hand is, snappen ze dat het niet hun schuld is dat het niet goed gaat met hun ouder. Verder kunnen ouders hun kind leren om goed voor zichzelf te zorgen, zodat het steviger in zijn schoenen staat. En zorgen dat er een veilig netwerk is waarmee kinderen hun gevoelens kunnen delen.


Maar eigenlijk zien wij de kinderen bijna altijd ook. Voor kinderen vanaf 8 jaar bieden we groepsbegeleiding aan. Die groepen, afgestemd op leeftijd, zitten standaard vol. Dat lotgenotencontact is waardevol, want het kind weet: ik ben niet de enige bij wie het thuis anders gaat.

‘We vragen ouders om hun kind toestemming te geven om te praten’
John Doe

Kinderen kunnen ook individueel bij ons terecht voor een begeleiding met behulp van spelletjes en filmpjes. We vragen ouders wel om – waar wij bij zijn – hun kind toestemming te geven om te praten: “Ik vind het goed als je praat over wat er thuis gebeurt, ook als het om niet leuke dingen gaat.” Wanneer een kind die emotionele toestemming niet krijgt, raden wij af om het kind mee te laten doen aan de groep. Er wordt dan getornd aan zijn loyaliteit richting ouders, een kind kan niet eerlijk praten over hoe het zich voelt. Dit is meer belastend dan helpend voor het kind.’

… als het lijkt voorgeprogrammeerd?

… als het lijkt voorgeprogrammeerd?

Marloes van de Ven werkte jarenlang als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming: ‘Kinderen zijn denk ik per definitie voorgeprogrammeerd omdat ze altijd loyaal zullen blijven aan hun ouders. Dat kan ook uit angst of schuldgevoel zijn. Vooral oudere kinderen beseffen dat het veel teweeg kan brengen als ze gaan praten. Daar moet je rekening mee houden.


Daarom vind ik het belangrijk om eerst te zorgen dat het kind zich bij jou veilig voelt. Vervolgens geef je duidelijk aan: dit ga ik doen en wel hierom, en dat ga ik niet doen. Leg ook uit dat je geen toestemming vraagt, maar het kind wel wil horen en wil betrekken bij de beslissingen. Die hebben immers consequenties voor hem. Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind laat je zijn mening daarin meewegen.


Hulpverleners springen er vaak bovenop om te zorgen dat het kind veilig is. Natuurlijk staat veiligheid voorop, het misbruik of geweld moeten stoppen. Maar er liggen ook mogelijkheden bij ouders, familie en de omgeving zelf die bij te snel ingrijpen over het hoofd kunnen worden gezien.

‘Ik gaf de jongen zelf de regie en sprak wekelijks met hem’
John Doe

Ik herinner me een jongen die al jarenlang seksueel werd misbruikt door zijn vader. Ook deze jongen was loyaal en ik mocht van hem geen actie ondernemen. Omdat hij eerst weer volwassenen moest gaan vertrouwen, stelde ik – na overleg – voor om hem de regie te laten voeren en wekelijks gesprekken met hem te hebben om het contact te versterken. In die gesprekken bespraken we hoe hij kon zorgen dat het thuis veiliger voor hem werd en wie hem daarbij kon helpen. Zo leerde hij mee te denken, oplossingen te verkennen, zijn grenzen aan te geven en kreeg hij meer vertrouwen en zelfvertrouwen.


Na zes weken zei de jongen: “Oké, ik vertrouw je en ik snap wat de keuzes en de gevolgen zijn.” Hij gaf aan dat hij uit huis wilde, en dat hebben we in gang gezet. Deze jongen was 15 en zat op de havo. Doordat hij intelligent en oud genoeg was, kon ik hem actief betrekken. Wat ik hiervan leerde, is dat je met kinderen altijd moet blijven kijken naar hun eigen veerkracht en hun vermogen om mee te denken over oplossingen.’

… als je maar kort contact hebt?

… als je maar kort contact hebt?

Jolanda Spruit, coördinator kinderzorg en huiselijk geweld in het IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel: ‘Op de spoedeisende hulp zien we kinderen maar kort. Maar als daar aanleiding voor is, ben ik er speciaal voor om met het kind en eventueel de ouders te praten en een inschatting te maken van de thuissituatie.


Op de spoedeisende hulp vullen de artsen voor alle kinderen tot 18 jaar een SPUTOVAMO-formulier in. Daarbij gaan ze na: klopt het letsel met dit verhaal? En wat levert het top-teenonderzoek op? Als uit de screening blijkt dat er sprake kan zijn van een onveilige thuissituatie, verwijst de arts door naar mij. Bij twijfel over de veiligheid nemen we een kind soms op. Zo hebben we meer tijd om signalen te verzamelen en te besluiten hoe te handelen.


Wanneer de situatie acuut bedreigend is, schakelt ons team van kinderzorg en huiselijk geweld natuurlijk direct Veilig Thuis in. Maar je hebt altijd situaties waarin de arts twijfelt. Bij zo’n niet-pluisgevoel bij een kind, pak ik de casus op. Ik nodig het samen met de ouders uit voor een gesprek. Het liefst praat ik ook met het kind alleen – afhankelijk van zijn leeftijd en de toestemming van de ouders. Geeft een ouder geen toestemming, dan probeer ik toch met het kind in gesprek te gaan of schakel ik Veilig Thuis in. De veiligheid van het kind staat altijd voorop.

‘Als bij een videocall de moeder ernaast zit, is het lastig beoordelen of je zorgen gegrond zijn’
John Doe

In het gesprek met het kind en/of de ouders bespreek ik mijn zorgen, luister ik goed naar het kind en probeer ik vertrouwen te winnen: “Ik wil graag samen kijken hoe we zorgen dat dit niet meer gebeurt en wie jou daarbij kan helpen.” Laatst sprak ik per videocall een 14-jarig meisje. Bleek haar moeder ernaast te zitten. Dan is het lastig beoordelen of je zorgen gegrond zijn. Ik hield een niet-pluisgevoel en belde voor advies met de vertrouwensarts van Veilig Thuis. Deze adviseerde mij om een melding te maken. Bij kind en ouder gaf ik aan dat ik mijn zorgen ging delen met Veilig Thuis om zo hulp te kunnen bieden.


Gelukkig zijn de zorgen niet altijd zo groot dat ik direct moet melden. Ik verwijs ook regelmatig door naar hulpverlening. Bijvoorbeeld naar een kinderpsycholoog of het CJG waar ze ouders pedagogisch en/of sociaal kunnen ondersteunen. Als ik zelf hulp inzet, spreek ik af wie de casus blijft monitoren en checkt of de geboden hulp effectief is. Een huisarts is vaak een goede centrale schakel hierin. Als blijkt dat de hulp niet voldoende is, volgt er soms alsnog een Veilig Thuis-melding.’

… als het niets wil zeggen? 

… als het niets wil zeggen? 

Kindercoach Janet Sellis heeft een eigen praktijk in Zeist: ‘Ik ben er voor het kind. Ik oordeel niet, ik luister echt en koppel terug. Sommige kinderen willen in eerste instantie niets zeggen, maar als we eenmaal een vertrouwensband hebben opgebouwd, verandert dat vaak wel. Ze voelen zich dan veilig genoeg bij mij om te praten, beseffen dat ik geen bedreiging voor hen ben.

‘Soms zegt een kind: “Ik mag het eigenlijk niet verder vertellen”’
John Doe

Meestal komen kinderen bij mij in verband met te weinig zelfvertrouwen, faalangst of dingen op school die niet lekker lopen. Een van de eerste dingen die ik meestal vraag is: “Wat hebben je ouders je verteld? Weet je waarom je hier bent?” Het kan natuurlijk gebeuren dat ouders van tevoren tegen het kind zeggen: “Vertel daar maar niet dat papa en mama veel ruziemaken.” Wat ik niet hoor, weet ik uiteraard niet. Soms zegt een kind bijvoorbeeld: “Ik mag het eigenlijk niet verder vertellen.”


Als ik merk dat een kind niets wil zeggen omdat het loyaal is aan zijn ouders, vraag ik bijvoorbeeld: “Als ik het aan jouw beste vriendje zou vragen, wat zou hij dan zeggen?” Zo haal ik het antwoord bij het kind zelf vandaan, zodat het zijn ouders niet hoeft af te vallen als het thuis niet goed zit. Wanneer het kind daarna iets vertelt waarvan mijn voelsprieten overeind gaan staan – omdat ik vermoed dat de situatie thuis onveilig is – zal ik de ouders niet snel afvallen of een mening over hen hebben. Het gaat erom dat het kind iemand heeft die naar hem luistert en bij wie het terechtkan. Wel benadruk ik, als ouders steeds ruziemaken, altijd dat het nooit de schuld van het kind is.


Bij echte onveiligheid thuis heb ik de plicht om dat te melden. Ik bespreek altijd met het kind dat ik er iets mee moet, maar dat ik nooit zomaar met iemand ga praten zonder dat ik dat eerst laat weten.’

In de praktijk

‘Een kind voelt zich veiliger bij een helder verhaal’

Waarom mag papa niet meer thuis wonen? Hoe komt het dat mama de hele dag in bed ligt? Kinderen die onveilig opgroeien hebben veel vragen en bedenken vaak hun eigen antwoorden. Aan een duidelijker en eerlijker verhaal over hun situatie kan iedere volwassene in de omgeving bijdragen.

Auteur: Ellen de Ruiter

Leestijd: 5 minuten

‘Iedereen om een kind heen moet kunnen uitleggen wat er thuis aan de hand is, en wel vanuit hetzelfde verhaal als de ouders vertellen,’ zegt Sabien De Klerck. ‘Als het verhaal overal hetzelfde is, voelt het kind zich veiliger. Het kind hoeft zich niet af te vragen: hoe zit het nou, want mama zegt dit en papa zegt dat? En het kind weet: bij de mensen die mijn verhaal kennen, kan ik terecht.’

De Belgische Sabien De Klerck is gecertificeerde Signs of Safety-trainer. Net als haar Nederlandse collega Lotte Strik. Kinderen uitleg geven over hun nare thuissituatie doen zij volgens het Words and Pictures-proces. Kern van dit proces is dat ouders en het netwerk rondom het gezin betrokken worden, zodat de kinderen ook van hen horen wat er aan de hand is en wat er gaat gebeuren. Kinderen krijgen zo van alle mensen om hen heen dezelfde informatie. Ook niet-hulpverleners, zoals leerkrachten, huisartsen en medewerkers van de kinderopvang, kunnen deze uitleg geven.

Lees meer over Signs of Safety

Tekenen van veiligheid

Signs of Safety is een benaderingswijze bij vermoedelijke of bewezen kindermishandeling. Het van oorsprong Australische model legt de nadruk op de vraag: hoe kan een jeugdzorgwerker in die situatie een relatie opbouwen met ouders en kinderen en toch accuraat handelen? Ook uitgebreide risicobeoordeling speelt een belangrijke rol. De sterke punten, de tekenen van veiligheid (Signs of Safety), worden in kaart gebracht en uitgebouwd om de situatie van kind en gezin te stabiliseren en te versterken.

‘Weten is een voorwaarde voor veiligheid,’ zegt De Klerck. ‘Als je kinderen op hun eigen niveau informeert, is het al vijftig procent veiliger dan daarvoor. Ze weten dan wat er aan de hand is, waarom papa en mama het moeilijk hebben en wat ze kunnen doen en bij wie ze terechtkunnen als het even misgaat.’


‘Informeren ontschuldigt ook,’ vult Lotte Strik aan. ‘Kinderen geven zichzelf vaak de schuld van wat er thuis gebeurt. Ik zal wel een stom kind zijn, het ligt aan mij, ik ben niet lief genoeg… Kinderen maken hun eigen verhalen, en vaak maken ze die erger dan ze zijn. Als een moeder geen aandacht voor ze heeft, kunnen ze denken: mama houdt niet van me. Maar zo zit het niet. Mama houdt juist heel veel van je, maar ze heeft het even moeilijk op dit moment.’

De Klerck: ‘Kinderen geven invulling aan de dingen door wat ze om zich heen zien en horen, bijvoorbeeld op televisie (mijn vader gaat nu de gevangenis in, want dat is wat ze op televisie ook doen) of door de omgeving (de buurman zegt dat mijn vader een viezerik is die aan alle kinderen zit). 

‘Met een uitleg in hun eigen taal doorbreek je onzekerheden en gevoelens van schuld en schaamte’
John Doe

Door aan kinderen in hun eigen taal en met hun eigen woorden uit te leggen wat er aan de hand is, doorbreek je onzekerheden en de gevoelens van schuld en schaamte. Je geeft verschillende verhalen een plaats: papa zegt dit en mama zegt dat en de juf is bezorgd.’


‘Je doorbreekt bovendien de geheimen,’ zegt Strik. ‘Kindermishandeling is “het syndroom van geheimen”. Zelden wordt er gesproken over dat wat er thuis gebeurt, laat staan over de gevoelens die dit oproept bij een kind. En op het moment dat het er wél over mag gaan, zie je letterlijk de opluchting bij het kind. Goh, nu kan ik er eindelijk over praten, ik mag mijn gevoelens uiten. Dan merk je dat zo’n kind er al tijden mee rondloopt.’

Niveau van een 4-jarige

Het Words and Pictures-proces in beeld

Professionals die werken volgens de Words and Pictures-methode hebben gesprekken met de ouders, maar ook met het netwerk en andere betrokken professionals. Strik: ‘Dat betekent voor ons: veel vragen stellen. We doen dat vanuit de wetenschap dat er geweld, verwaarlozing, gedrag, drugsgebruik, echtscheiding, enzovoort kan spelen. Wat is het ergste dat er thuis is gebeurd? Wat heeft het kind beschermd? Welke zorgen zijn er? Op basis van de antwoorden van ouders op onze vragen construeren wij als hulpverleners het basisverhaal, waarin alle kanten worden belicht: wie is bezorgd, waarover, wat is er gebeurd en hoe werken we aan een veilige toekomst?’


Vervolgens gaan ze het verhaal op het niveau van een 4-jarige opschrijven. Belangrijk is dat het taalgebruik herkenbaar is. Het verhaal wordt aangevuld met tekeningen, zodat het nog beter te begrijpen is voor het kind. De Klerck: ‘Hoe simpeler het verhaal, hoe meer je de kern raakt. Je komt niet weg met vaktermen en moeilijke woorden. Je moet in de taal van het kind spreken, in woorden die het begrijpt. Als er seksueel misbruik speelt, vragen we bijvoorbeeld altijd aan de ouders hoe de geslachtsdelen thuis worden genoemd; die woorden gebruiken we dan. Dat voorkomt onduidelijkheden.’


Als de ouders en andere belangrijke betrokkenen akkoord zijn met het verhaal, wordt het in het bijzijn van de ouders en het netwerk aan het kind verteld. Strik: ‘We vertellen welke zorgen er zijn en waarover, welke acties er zullen volgen en wat veilig voor hem is. We leggen bijvoorbeeld uit waarom mama op dit moment niet voor haar kind kan zorgen, of waarom het kind even niet alleen mag zijn met papa. Daarbij maken we gebruik van heel concrete voorbeelden. Met “er zijn zorgen over de ruzies thuis” zeg je eigenlijk niets. In ieder gezin is weleens ruzie. We maken het expliciet: dat papa mama bij de keel heeft gepakt, bijvoorbeeld. Hiermee voorkom je dat er nog meer verhalen in het hoofd van het kind gaan rondspoken.’

 ‘Hoe ernstiger de situatie thuis is, hoe meer de focus ligt op de problemen. Maar er is altijd meer dan dat’
John Doe

Alle momenten van zorgen worden “gesandwicht” met fijne en goede dingen. Bijvoorbeeld: ‘Papa en mama hebben veel stress en daarom schreeuwen ze vaak tegen elkaar. En met papa ga je elke zaterdag naar de McDonalds en dan maakt hij veel grapjes.’ Strik: ‘Hoe ernstiger de situatie thuis is, hoe meer de focus ligt op de problemen. Maar er is altijd meer dan dat. Door te sandwichen, geef je het kind zijn geschiedenis in haar geheel terug.’

Tekening

Als het verhaal aan het kind verteld is, stellen de ouders en het netwerk een veiligheidsplan op. Samen bepalen zij welke regels en afspraken de kinderen moeten kennen. Bijvoorbeeld: er is altijd eten in de koelkast. Of: als er ruzie is, kun je met tante Emma bellen. ‘De ouders en het netwerk leggen dit plan zelf uit aan het kind. Dat heeft alles te maken met impact,’ zegt Strik. ‘Dit te horen van je eigen papa en mama doet meer dan wanneer een ander het vertelt.’

Aan kinderen wordt gevraagd welke regels zij belangrijk vinden en hoe het netwerk hen zou kunnen helpen. ‘Het kind wordt gevraagd om een tekening te maken van de afspraken en regels. Dat maakt dat het de regels goed kent.’


‘Naar elkaar luisteren is niet moeilijk,’ besluiten Strik en De Klerck, ‘Maar luisteren alleen brengt geen verandering. In het plan moet duidelijk zijn: wie doet wat in de toekomst? Wie helpt het kind als het in nood is? Zoiets werkt alleen als je het samen maakt. Het kind moet op alle fronten merken: hé, wat ik heb verteld, komt terug. Ze zien me, ze horen me en ze helpen me.’

Samen staan voor veiligheid

Sabien De Klerck en Lotte Strik hebben een paar belangrijke tips voor iedereen om het kind heen: van leerkracht tot huisarts tot kinderopvangmedewerker.

  • Psycho-educatie over veiligheid en grenzen aangeven is voor alle kinderen van belang. Denk bijvoorbeeld aan de onderbroekregel: kinderen mogen daar niet zomaar door volwassenen worden aangeraakt, en mogen niet door volwassenen gedwongen worden daar aan te raken. Zo kun je ook vertellen over geheimen die oké zijn en geheimen die niet oké zijn en dat je die laatste altijd mag delen.
  • Bespreek met kinderen bij wie ze terechtkunnen als ze zich rot gevoelen. Met wie praat jij graag? Wie stelt jou gerust als je bang of boos bent?
  • Blijf ouders zien als mens. Geen enkele ouder staat immers ‘s ochtends op met het idee: ik ga mijn kind mishandelen. Ook bij hen zit pijn. In plaats van ze af te keuren, kun je ze beter een vraag stellen. Bijvoorbeeld: waar ben jij het meest trots op als je je kind ziet? Dat laat zien: ik zie jou als ouder en je staat er niet alleen voor.
  • Maak gebruik van een veilig voorwerp, bijvoorbeeld een knuffeltje. Maak afspraken als: staat de knuffel niet voor het raam, dan weet tante Emma dat ze even aan moet bellen om te komen praten. Gaat het knuffeltje mee naar school, dan weet de juf dat het kind het even moeilijk heeft.
  • Kinderen die veel meemaken onthouden minder. Als omstander, bijvoorbeeld als meester of juf, kun je het verhaal herhalen als het even misgaat. ‘Weet je nog…?’
  • Laat het kind weten dat jij er voor hem of haar bent. Vertel wat je zal doen met wat het kind je vertelt en wanneer je laat weten hoe dat ging.
  • Realiseer je dat je als volwassene echt het verschil kunt maken in het leven van een kind. Door het informatie te geven en aandacht te besteden aan wat goed gaat, kun je het helpen krachtiger te worden. 
  • Tot slot: schakel voor een Words and Pictures-proces altijd een professional in. Zonder kennis van de methodiek kan het de situatie juist onveiliger maken voor het kind.

Prof. mr. drs. Mariëlle Bruning is hoogleraar Jeugdrecht, verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit van Leiden. Zij doet onderzoek naar en publiceert over  jeugdhulp, kinderbescherming, kindermishandeling,  kinderrechten en de positie van de minderjarige in juridische procedures

In welke situaties moet je kinderen betrekken?  

Mariëlle Bruning: ‘Het gaat om álle beslissingen die een kind raken. In juridische procedures gaat het onder meer om familieprocessen, waarbij bijvoorbeeld de omgangsregeling bepaald wordt, of bij welke ouder de kinderen na een scheiding gaan wonen. Daarnaast moet je kinderen betrekken bij kinderbeschermingsmaatregelen zoals ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing.


Maar ook op school, in de jeugdhulp, in de medische sector en in wijkteams worden professionals geacht om kinderen te informeren en te horen. Bijvoorbeeld als zij de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling volgen. Volgens het stappenplan moeten ze een gesprek houden met de ouders én kinderen.’

Waarom doen professionals het niet gewoon altijd?

‘Het belangrijkste belemmering voor professionals is hun eigen vooronderstelling dat kinderen niet met moeilijke kwesties belast mogen worden. Dat blijkt ook uit ons onderzoek naar de positie van kinderen in jeugdprocedures, zoals familie- en jeugdzaken (zie kader onder).


Ten eerste denken rechters, de Raad voor de Kinderbescherming en advocaten al snel dat kinderen een gesprek met de rechter niet aankunnen, ten tweede denken ze vaak dat jongere kinderen niet in staat zijn om hun mening te verwoorden. Bovendien hebben ze vaak weinig tijd om met kinderen te spreken.’

Ook al geeft het stress

‘In het gewone leven vinden we de autonomie van kinderen heel belangrijk, maar als het gaat om beslissingen die grote gevolgen voor hen hebben, ligt dat ineens anders. Voor ons rapport hebben we jongeren hierover ondervraagd. De uitkomst was dat zij wél gehoord willen worden door de kinderrechter, ook al geeft dat stress.

‘Beveiligingspoortjes, toga’s en de hele rechtbanksfeer kunnen intimiderend zijn’

Die stress ontstaat als kinderen niet goed weten wat ze moeten verwachten van een gesprek, hoe de rechtbank eruitziet en welke vragen er gesteld gaan worden. Ook de beveiligingspoortjes bij de ingang, de ruimte waarin het kindgesprek wordt gevoerd, de toga van de ambtenaren en de hele rechtbanksfeer kunnen intimiderend zijn. Maar daar kun je wat aan doen.


Bovendien geven jongeren in het onderzoek naar de positie van kinderen duidelijk aan dat ze gehoord willen worden bij beslissingen die hen aangaan. Uit ander onderzoek weten we dat kinderen die herhaaldelijk niet bij beslissingen worden betrokken, zich machteloos voelen, minder zelfvertrouwen hebben en het vertrouwen in hun eigen beslisvaardigheden verliezen.’

Vanaf welke leeftijd moet je een kind betrekken?

‘Volgens het VN-Kinderrechtenverdrag heeft élk kind het recht om gehoord te worden over de zaken die hem aangaan. En het VN-kinderrechtencomité, dat toeziet op de naleving, zegt ook dat elk kind gehoord kán worden. Zelfs als het nog te jong is om te praten, kan het signalen afgeven over wat het wil.


In familieprocessen lopen de leeftijdsgrenzen voor het horen van kinderen internationaal uiteen van vanaf 7 tot vanaf 16 jaar. De meeste landen hanteren zo’n leeftijdsgrens en geen open criterium zoals ‘in staat tot een redelijke waardering van belangen’ of ‘competent, zoals in het VN-verdrag  staat.’ Een leeftijdsgrens wordt gebruikt vanuit de gedachte dat je vanaf die leeftijd in staat bent je mening te geven.


In Nederland worden kinderen vanaf 12 jaar standaard door de rechtbank uitgenodigd om gehoord te worden in zaken die hen aangaan. Jongere kinderen kunnen theoretisch ook uitgenodigd worden, maar in de praktijk gebeurt dat nauwelijks.

‘Kinderen kunnen al vanaf 4 jaar hun mening geven’

In ons onderzoek naar de positie van kinderen in jeugdprocedures hebben we met een neuropsychologische en pedagogische blik gekeken naar wat kinderen aankunnen. Dan blijkt dat kinderen al vanaf 4 jaar hun mening kunnen geven.


En vanaf 8 jaar kunnen ze op een kamertje in de rechtbank al een verdiepender gesprek voeren, bijvoorbeeld met de kinderrechter. Ze zijn dan vaak prima in staat om hun mening en bijbehorende gevoelens te verwoorden. En ze begrijpen dat hun gevoelens en wensen niet dezelfde hoeven zijn als die van hun ouders.


Ik zou graag nog onderzoeken of zo’n gesprek ook mogelijk is bij kinderen tussen 4 en 8 jaar, met extra deskundigen en in een aangepaste omgeving. In ons onderzoek naar de positie van kinderen in jeugdprocedures stellen we daarnaast voor dat minderjarigen van 12 jaar en ouder zelfstandig procedures moeten kunnen starten en in hoger beroep moeten kunnen gaan.’

Hoe voer je het gesprek met een kind?

‘Bepaalde vragen stel je wél en andere niet. Het gaat niet zozeer om wat een kind wil, maar om de context eromheen. Je vraagt niet direct bij wie het wil wonen, want je kunt kinderen niet vragen om te kiezen tussen hun ouders. Je vraagt wél: “Hoe ziet je leven eruit en wat vind je belangrijk?” Ik vind dat je kinderen van harde keuzes moet weghouden. De rechter zal ook zeggen: “We zijn hier vandaag niet om te bepalen waar je gaat wonen, maar ik wil graag meer over jou weten.”


Daarvoor moet je als professional getraind zijn in gespreksvoering met kinderen. Ook intervisie is belangrijk. Rechters zijn daar tegenwoordig steeds meer in getraind; uit mijn onderzoek weet ik dat zij veel aandacht besteden aan het betrekken van kinderen bij hun beslissingen en het terugkoppelen daarvan.


Maar net zo belangrijk als training is ervaring. Professionals die vaak dit soort gesprekken met kinderen en jongeren voeren, weten op een gegeven moment heel goed hoe het moet. Het is wel belangrijk dat er voortdurend aandacht voor is. En in sommige beroepsgroepen mag het best een tandje meer.’

Hoe leg je een besluit goed uit?

‘Het recht van kinderen om gehoord te worden, bestaat uit gradaties. Ten eerste is er het recht om geïnformeerd te worden: kinderen moeten hun rechten kennen en weten wat er aan de hand is. Vervolgens moeten ze daadwerkelijk gehoord worden – wat vinden zij van de situatie? En tenslotte moet er een “passend gewicht” worden gegeven aan de mening van het kind. Je moet er dus iets mee, en je beslissing moet je vervolgens aan het kind uitleggen.’

Goede redenen

‘Stel, een kind zegt: ik heb veertien jaar bij mijn moeder gewoond en nu wil ik verhuizen naar mijn vader aan de andere kant van het land. Als je als rechter de mening van het kind niet volgt, moet je daar goede redenen voor hebben en die aan het kind kunnen uitleggen. Dat is het allermoeilijkst. Maar wel belangrijk, want anders ben je alleen maar een procedure aan het afvinken: zo, ik heb naar het kind geluisterd.


Een ander voorbeeld: een kind vertelt je dat het mishandeld wordt door de ouders en vraagt je om dat niet verder te vertellen. Om het kind te beschermen zul je dat soms toch moeten doen. Daar moet je goed over nadenken en als het kan, het uitleggen. Als je dat niet doet, voelen kinderen zich minder serieus genomen dan wanneer ze helemaal niet geraadpleegd waren.

‘Hoe groter de impact, hoe zwaarder de stem van het kind moet meewegen’
John Doe

Het luisteren naar kinderen kan dus heel ingewikkeld zijn. Laat je leiden door de impact van de beslissing: hoe groter die is, hoe zwaarder de stem van het kind moet meewegen. Het kan trouwens ook gebeuren dat kinderen niet geraadpleegd willen worden. Dat is hun goed recht. Ik denk dat je ze hierin heel serieus kunt nemen. Ze moeten natuurlijk wel goed geïnformeerd zijn en hun rechten kennen. Maar als ze eenmaal kiezen, moet je ze vrij laten.’

Moeten de ouders toestemming geven?

‘Of de ouders toestemming moeten geven voor het raadplegen van hun kind, hangt helemaal van de context af. Daar is geen wet of algemene regel voor. Maar in de praktijk gebeurt dat natuurlijk wel. Het leven zit nu eenmaal zo in elkaar dat je niet om ouders heen kunt. Als de rechtbank een kind per brief uitnodigt om gehoord te worden, zullen de ouders die brief meestal als eerste lezen en vervolgens al dan niet aan hun kind geven.


Verder verschilt het beleid per sector. Scholen en jeugdartsen hanteren vaak een grens van 12 jaar bij de vraag of ze ouders wel of niet betrekken. De schoolarts op de basisschool nodigt de ouders meestal uit om bij het gesprek te zijn, maar daarna gebeurt dat niet meer. Voor het leerlingendossier geldt dat ouders hun kind van 12 jaar en ouder toestemming moeten vragen voor inzage, en dat ze geen inzage meer hebben als hun kind 16 of ouder is.


Bij een medische behandeling en bij hulpverlening in de jeugdzorg zijn kinderen vanaf hun 16e jaar gemachtigd om zonder ouders een beslissing te nemen. Tot 12 jaar moeten beide gezaghebbende ouders beslissen over hulp aan hun kind. Kinderen van 12 tot 16 jaar beslissen samen met beide ouders. Als een van de ouders geen toestemming geeft, geldt dat als een weigering. De hulpverlener of arts kan op basis van goed hulpverlenerschap besluiten om het kind toch te behandelen, als de behandeling zeer noodzakelijk is voor het kind.’

Levert een kindgesprek wel nieuwe informatie op?

‘Professionals denken soms dat ze allang weten wat het kind wil, maar ik zeg altijd: je kunt de belangen van het kind niet in kaart brengen en behartigen zonder het te horen. Daarom is het goed dat de rechter bij familieprocessen bijzondere curatoren kan benoemen, soms op verzoek van het kind zelf, die onderzoeken wat een kind nou echt wil. Dat gebeurt bij belangenconflicten tussen een kind en de ouders of voogd.


Stel, een kind van 12 zegt in het voortraject: “Ik wil nooit meer naar mijn vader.” Dat klinkt vrij definitief, maar na het horen van het verhaal van het kind door de bijzondere curator kan blijken dan het alleen de nieuwe partner van de vader is, waar kind niet mee overweg kan. Als je écht met een kind in gesprek gaat, blijken er vaak andere dingen aan de hand dan je in eerste instantie dacht.’

Advies: van 12 naar 8 jaar

In het rapport Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie (2020) onderzochten Mariëlle Bruning en haar team het hoorrecht en de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdzaken. Daarbij kan al snel sprake zijn van een belangenconflict tussen de ouders en minderjarigen, terwijl er voor die laatste groep veel op het spel staat.


De onderzoekers keken naar het juridische kader, internationale standaarden en neurocognitieve, psychologische en pedagogische inzichten. Ook voerden zij een praktijkonderzoek uit onder jongeren, ouders, rechters, advocaten, bijzondere curatoren, medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en Kinder- en Jongerenrechtswinkels.


Conclusie van het onderzoek was dat kinderen al vanaf 8 jaar – in plaats van 12 jaar – moeten worden uitgenodigd om in familie- en jeugdprocedures gehoord te worden. De onderzoekers stellen daarnaast voor dat minderjarigen van 12 jaar en ouder zelfstandig procedures moeten kunnen starten en in hoger beroep kunnen gaan.


Om de inbreng van kinderen te bevorderen, is het nodig om omgevingsfactoren rondom de participatie van minderjarigen in familie- en jeugdprocedures te verbeteren (zoals de plek waar het kindgesprek plaatsvindt) en kinderen te ondersteunen met een advocaat of bijzondere curator, vindt het onderzoeksteam.

Uitgelegd

Wat kan er wel/niet bij participatie van minderjarigen?

Opereren binnen regels en wetten: het lijkt soms een uitdaging. Want vanaf welke leeftijd betrek je een kind? Moeten de ouders daarvoor toestemming geven? Mariëlle Bruning, hoogleraar jeugdrecht bij de Universiteit Leiden, deed onderzoek onder minderjarigen en weet precies wat nodig en mogelijk is.

Leestijd: 6,5 minuten

Jongeren reageren op onderzoek 

‘Ik schrik ervan dat er zo laat wordt ingegrepen

Onlangs presenteerde Verwey-Jonker Instituut een onderzoek waaruit bleek dat jonge slachtoffers van huiselijk geweld vaak worden vergeten. Drie meiden uit de Augeo Jongerentaskforce reageren vanuit hun eigen ervaring op de uitkomsten. 

Augeo Jongerentaskforce

Leestijd: 2,5 minuten

Kimberly (22):

Voorlichting had mij enorm geholpen

‘Ik schrik ervan dat er in 71 procent van de onderzochte gezinnen na anderhalf jaar nog steeds sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Dat is een veel te hoog percentage! Zelf had ik gewild dat er vroeger bij ons gezin was ingegrepen. Sommige ouders zijn niet-leerbaar, waardoor de onveiligheid blijft voortbestaan. Ik ben de enige die hierdoor “gestraft” is. Ik moet namelijk voor de rest van mijn leven omgaan met de consequenties van een onveilige jeugd.

 

Daarnaast vind ik het schrijnend dat 46 procent van de kinderen zich thuis emotioneel onveilig voelt. Het is in mijn ogen echt een primaire levensbehoefte dat thuis een veilige plaats is waar je rust kunt ervaren. Als je je in je jeugd emotioneel onveilig hebt gevoeld en leerde dat anderen niet te vertrouwen zijn, hoe wil je dan ooit een persoon vertrouwen in je leven? Ik ben een van die kinderen die dit niet heeft geleerd. Ik heb in mijn volwassenen leven nog steeds last van wantrouwen tegenover anderen. Dit belemmert mij in het aangaan en onderhouden van vriendschappen en het goed functioneren in een team.


Meer voorlichting op scholen over wat wel en niet normaal is thuis, zou mij enorm hebben geholpen. Ik had als kind namelijk geen idee dat mijn gezinssituatie niet normaal was. Als ik dit had geweten, had ik zelf waarschijnlijk hulp gezocht of iemand in vertrouwen genomen.’

Kimberley is een pseudoniem. 

Juliette (23):

‘Iedere hulpverlener kan het verschil maken’ 

‘Ik heb vroeger zelf enorm veel verschillende hulpverleners voorbij zien komen. Daardoor moest ik steeds weer opnieuw mijn verhaal doen en ook steeds weer een nieuw gezicht leren kennen en vertrouwen. Het zou mij enorm geholpen hebben als er één persoon was die de regie zou hebben. Dat was bij mij vaak niet zo duidelijk waardoor ik niet wist bij wie ik terecht kon als er iets was. 


Ik vind het dus goed als er een duidelijke en systematische aanpak komt met hulp voor zowel ouders als de kinderen. Daarnaast moeten we zorgen dat er geen wachtlijsten meer zijn in de ggz. 


Ook heb ik geleerd dat iedere hulpverlener het verschil kan maken voor een kind door hem of haar écht te zien en te laten blijken dat hij of zij er onvoorwaardelijk voor het kind zal zijn en niet zomaar weggaat. Een mailtje of appje met af en toe de vraag "Hoe gaat het?" is een klein gebaar, maar kan voor een kind wel van onschatbare waarde zijn, omdat je daarmee toont dat je oprecht geïnteresseerd bent in het kind.’

Evelijn (19):

‘Met een steunfiguur was ik gelukkiger geweest’ 

‘Door geweld bij gezinnen, neemt het welzijn van de kinderen af. Dat blijkt uit het onderzoek. Dit raakt me, omdat kinderen het recht hebben op een veilige basis om van daaruit de wereld te ontdekken. 


Uit het onderzoek leren we dat veel kinderen geen steunfiguur hebben. Maar zo'n steunfiguur vind ik voor kinderen juist enorm belangrijk. Dit hoeft geen hulpverlener te zijn en mag ook op informele basis. Een juf/meester, buurvrouw of volwassene bij een (sport)club; het is iemand die het kind vertrouwt en waar hij zijn verhaal kwijt kan. 


Zelf had ik, toen ik jong was, een minder veilige basis. Ik had weinig vertrouwen in mensen en voelde me alleen in de grote wereld. Ik denk dat ik gelukkiger was geweest als ik een steunfiguur had gehad. Iemand die mijn situatie kende en vroeg waar ik mee bezig was. Dan had ik meer gevoeld dat mensen om mij gaven en ik ertoe deed. Ik heb nu gelukkig wel mensen die me steunen. Dat geeft me hoop en vertrouwen.’


Uitkomsten onderzoek

Verwey-Jonker Instituut publiceerde onlangs het rapport Kan huiselijk geweld en kindermishandeling echt stoppen? Kwestie van lange adem. De belangrijkste uitkomsten van het onderzoek zijn samengevat in deze video:

Lees hier meer over het onderzoek van Verwey-Jonker Instituut 

Over Augeo

Augeo Foundation wil dat kinderen met liefde en in veiligheid opgroeien. Daarom versterken we professionals, beleidsmakers en vrijwilligers om kindermishandeling en huiselijk geweld zo snel en doeltreffend mogelijk aan te pakken.


Met online scholing en ervaringen van de Jongerentaskforce versterken we professionals. We organiseren steun voor kinderen, en doen samen met gemeenten onderzoek naar de aanpak van kindermishandeling. 


Samen geven we kindermishandeling geen toekomst.

Aan dit nummer werkten mee:

  • Hoofdredacteur en coördinatie: Edith Geurts
  • Teksten: Mariëlle van Bussel, Annemarie van Dijk, Edith Geurts, Ellen de Ruiter, Annette Wiesman, Petra Wolthuis
  • Advies: Mariëlle Bahlmann, Ingrid ten Berge, Lidy Boone, Marjon Donkers, Daphne Drost, Roely Drijfhout, Anneke Janssen, Marjolijn van de Merwe, Maryse Nijhof, Elle Struijf
  • Beeld: Hüsne Afsar, AdobeStock, iStock
  • Eindredactie: Hanneke Karssen
  • Ontwerp en opmaak: NR Grafisch Ontwerp
  • Uitgever: Augeo Foundation

De kinderen op de foto’s zijn modellen, tenzij anders vermeld.

Augeo magazine

Magazine over veilig opgroeien

Professionals en beleidsmakers bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen, onderzoeken, dilemma’s en besluiten rond de veiligheid van kinderen. Dat doet Augeo al 10 jaar met onder andere e-learnings, bijeenkomsten en Augeo magazine. Ons magazine verschijnt 5x per jaar. Meld je aan om gratis abonnee te worden.
Volledig scherm