onderzoek

Auteur: Mariëlle van Bussel
Illustratie: Angeliek Caelen
Leestijd: 5,5 minuten

Jessica Vervoort en Femke Scheffers doen beiden onderzoek naar veerkracht na ingrijpende jeugdervaringen. In de kindertijd en later, als kinderen zelf ouders zijn geworden, wordt hun functioneren sterk beïnvloed door de samenleving, zeggen ze.

‘Kwetsbare gezinnen hebben de maatschappij nodig’

Bronnen van veerkracht

Uit het onderzoek van Femke Scheffers blijken deze bronnen van belang voor mensen met een verstandelijke beperking. Deze bronnen zijn ook breder van toepassing.

Interne bronnen: 

  • Acceptatie: het accepteren van jezelf, met je beperkingen en kwaliteiten.
  • Doorzettingsvermogen: kunnen doorgaan met het leven na het ervaren van nadelige gebeurtenissen.
  • Autonomie: het ervaren van een zekere mate van controle en zelfstandigheid over het eigen leven.
  • Fysieke gezondheid: kunnen omgaan met lichamelijke klachten.
  • Positieve emoties: het uiten van vreugde, dankbaarheid, sereniteit, interesse, hoop, trots, amusement, inspiratie, ontzag en liefde zorgt ervoor dat men makkelijker relaties kan aangaan.
  • Sociale vaardigheden: op een positieve manier contact kunnen maken met anderen, zodat relaties kunnen worden opgebouwd die mogelijk ondersteunend kunnen zijn.
  • Mooie herinneringen hebben: deze kunnen inspiratie geven om door te gaan, te accepteren en zijn een bron van positieve emoties.
  • Spiritualiteit: een gevoel van verbondenheid hebben met een hogere macht.

Externe bronnen:

  • Een steunend netwerk: personen en ook dieren kunnen iemand onvoorwaardelijke liefde en verbinding laten ervaren. 
  • Activiteiten: zowel structuur als afleiding kunnen helpen om met tegenslagen om te gaan. Ook kunnen activiteiten helpen om een eigen identiteit te vormen en aan de buitenwereld te laten zien wat je kunt.
  • Een thuis: in een eigen woonplek kan iemand zich veilig voelen en rust ervaren. 

Bron: Bronnen van veerkracht bij personen met een verstandelijke beperkingFemke Scheffers, Xavier Moonen en Eveline van Vugt. 

Vervoort: ‘Inderdaad. Als professionals zijn we geneigd om het kind te helpen, maar we moeten ons ook bewuster worden van de veerkracht in een gezin. Die kun je versterken door te kijken naar gedeelde overtuigingen, bijvoorbeeld “Hulp helpt”. En naar bestaande patronen. Welke zijn steunend en welke niet? Ook zijn de communicatie en de manier waarop problemen worden opgelost van belang.’

Scheffers: ‘Oók kijken naar wat het gezin nodig heeft, is duurzamer en het geeft betere resultaten.’ 

Is er een verband tussen de veerkracht van een ouder en de ontwikkeling van zijn of haar kind?

Welke les trekken jullie uit dit voorbeeld?

Vervoort: ‘Een verhaal met oog voor de beschermende en compenserende ervaringen kan een kind veel steun geven’

Vervoort: ‘Ja, steun moet op verschillende niveaus geboden worden. Als eerste heeft het individu hulp nodig bij het ontwikkelen van zijn regulatievaardigheden, zodat het beter kan omgaan met zijn emoties in plaats van te reageren vanuit een automatische stressreactie. Dat is een belangrijke voorwaarde om veerkrachtig te kunnen reageren. Op een ander niveau kunnen ouders steun nodig hebben in de vorm van psychische hulp of traumabehandeling. Als dit niet gebeurt, kan het effect van de hulp aan het kind namelijk minder groot en duurzaam zijn. Professionals moeten meer bijdragen aan het mobiliseren van steunbronnen en krachten in plaats van focussen op problemen en klachten. Tot slot is er inderdaad de samenleving. Behalve over gerechtigheid, beleid en toegang tot de zorg gaat dit over minder oordelen over elkaar en minder uitsluiten. Het gevoel hebben dat je er niet bij hoort of anders bent, is niet goed voor je veerkracht.’

Jessica Vervoort-Schel werkt bij Koraal als orthopedagoog-generalist, supervisor NVO en als programmaleider Inhoud & Onderzoek Jeugd. Ze promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op ingrijpende jeugdervaringen bij jeugdigen met cognitieve en adaptieve beperkingen en hun ouders.

Jessica Vervoort: ‘Jazeker. Hoe veerkrachtiger een ouder kan reageren, hoe beter dat is voor de ontwikkeling van het kind. Zo’n ouder kan namelijk beter afstemmen op de behoeften van het kind en zich beter aanpassen aan de omstandigheden. Een veerkrachtige ouder is in staat om voor het kind een steunende bron te zijn bij het bevorderen van zijn veerkracht. Het kind kan dan meer vertrouwen op de ouder, en er is meer verbondenheid. Ook kan het kind een goed zelfbeeld en zelfvertrouwen ontwikkelen, en zijn emoties leren reguleren.’

Femke Scheffers: ‘Dát is de ideale situatie die je ieder kind gunt. Maar het kan ook anders. Ik ken een vrouw die haar moeder op jonge leeftijd verloor, haar vader raakte alcoholverslaafd waardoor er sprake was van verwaarlozing. Een leraar op school trok aan de bel en zocht hulp voor de vader. Deze vrouw zegt nu dat haar vader er inderdaad niet voor haar is geweest, en dus is er geen sprake van het ideale plaatje van veerkracht, maar ze heeft wel gezien dat hij in therapie ging en dat dat resultaat had. “Dus,” zei deze vrouw, “als ik ook in therapie ga voor mijn traumatische ervaringen, zal het ook met mij beter gaan, net zoals bij mijn vader.” 

Zo kan het dus ook. Mijn oordeel op basis van haar dossier was: afwezige vader dus hij was geen bron van steun. Maar nu zag ik in dat deze vader toch een belangrijke bron van steun is geweest, maar op een andere manier dan ik of andere professionals mogelijk zouden denken.’

Scheffers: ‘Wat precies bijdraagt aan veerkracht, is voor ieder persoon uniek. In elke levensfase kunnen er ook weer andere bronnen van veerkracht van belang zijn. Professionals moeten daarom met elke cliënt steeds opnieuw in gesprek gaan en goed luisteren. Om vervolgens door te vragen. En vooral: de eigen oordelen opzijzetten.’

Vervoort: ‘Als je hulpvragers vertelt over de werking van het brein, of over bijvoorbeeld de invloed van stress op het brein, kun je hun een ander verhaal geven. Je kijkt dan door de bril van zowel de ingrijpende als de positieve ervaringen. Zoals in het voorbeeld van de vader die er niet was voor zijn dochter: hij was ziek en kon daardoor niet voor zijn dochter zorgen, maar hij heeft wel van haar gehouden. Dat rijkere verhaal, met daarin ook oog voor de beschermende en compenserende ervaringen, kan kinderen veel steun geven.’

Scheffers: ‘Als hulpverlener kun je meedenken: hoe kunnen we jouw verhaal over je familie herschrijven of anders zien?’

Scheffers: ‘Voor mensen met een verstandelijke beperking begint het oordelen en uitsluiten al op jonge leeftijd. Zij gaan naar het spéciaal onderwijs. Dat geeft al aan dat ze er niet bij horen. En zo is onze samenleving doorspekt van oordelen en hokjes. Het zou meer moeten gaan om inclusie: passend werk, een goede dagbesteding, een gemeenschap waar je bij hoort, je geaccepteerd voelen in de samenleving.’

Vervoort: ‘Groepen die uitsluiting ervaren, laten soms gedrag zien dat de maatschappij onwenselijk vindt, zoals agressie. Maar tegelijkertijd zijn dit de mensen die de meeste steun nodig hebben en daar waarschijnlijk het minst van ontvangen hebben in hun jeugd. Door hun “vervelende” gedrag, dat vaak een gevolg is van ingrijpende jeugdervaringen, krijgen ze ook in het heden minder steun. Dus de primaire pijn, het trauma, wordt dan beantwoord met secundaire pijn: afwijzing en uitsluiting.’

Scheffers: ‘Voor mensen met een verstandelijke beperking begint het oordelen en uitsluiten al op jonge leeftijd’

Scheffers: ‘Een klas is een reflectie van de samenleving. Dus praat in de klas over inclusie, over het hebben van vooroordelen, over pesten. Daarnaast kunnen docenten een vinger aan de pols houden als ze zien dat het niet goed gaat met een kind. Zij zijn de belangrijkste schakel die hulp in gang kan zetten.’ 

Vervoort: ‘Je kunt de problemen van een kind niet altijd oplossen. Voor een kind is het gevoel dat er iemand voor je is, iemand die vindt dat jij ertoe doet, al zó belangrijk. Maar als je als docent niet goed reageert op het ongewenste gedrag van die ene leerling, bijvoorbeeld door te oordelen, neemt de rest van de klas dat over. Op die manier doe je als docent indirect mee aan uitsluiting. Je zet iets in gang. Dus ook een docent moet veerkrachtig kunnen reageren en positief inspelen op vervelende omstandigheden.’

Scheffers: ‘Uit mijn onderzoek blijkt dat juist maatschappelijke factoren belangrijk zijn. Dat geldt voor ouders met een verstandelijke beperking, maar ook voor andere kwetsbare gezinnen. Dan gaat het over gerechtigheid in de maatschappij, beleid en toegang tot de zorg. Ouders met een verstandelijke beperking hebben bijvoorbeeld minder toegang tot zorg. Er zijn wachtlijsten, er is bureaucratie, er moeten IQ-onderzoeken overlegd worden. Het is dan logisch dat deze ouders minder veerkrachtig kunnen reageren op heftige gebeurtenissen.’

Het gezin kan de veerkracht van een kind dus vergroten.

Steun aan ouders moet dus óók uit de maatschappij komen?

Kunnen docenten ook iets betekenen voor de veerkracht van kinderen?

Hebben maatschappelijke factoren ook invloed op de veerkracht van ouders?

Femke Scheffers werkt als gedragsdeskundige bij MEE Zuid-Holland Noord en is  PhD kandidaat aan de Universiteit van Amsterdam. Zij heeft met name expertise over de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking en de diversiteit van deze doelgroep. Dit promotieonderzoek is gericht op het begrijpen van het proces van veerkracht bij personen met een verstandelijke beperking.

Jessica Vervoort en Femke Scheffers doen beiden onderzoek naar veerkracht na ingrijpende jeugdervaringen. In de kindertijd en later, als kinderen zelf ouders zijn geworden, wordt hun functioneren sterk beïnvloed door de samenleving, zeggen ze.

onderzoek

Auteur: Mariëlle van Bussel
Illustratie: Angeliek Caelen
Leestijd: 5,5 minuten

‘Kwetsbare gezinnen hebben de maatschappij nodig’

Bronnen van veerkracht

Uit het onderzoek van Femke Scheffers blijken deze bronnen van belang voor mensen met een verstandelijke beperking. Deze bronnen zijn ook breder van toepassing.

Interne bronnen: 

  • Acceptatie: het accepteren van jezelf, met je beperkingen en kwaliteiten.
  • Doorzettingsvermogen: kunnen doorgaan met het leven na het ervaren van nadelige gebeurtenissen.
  • Autonomie: het ervaren van een zekere mate van controle en zelfstandigheid over het eigen leven.
  • Fysieke gezondheid: kunnen omgaan met lichamelijke klachten.
  • Positieve emoties: het uiten van vreugde, dankbaarheid, sereniteit, interesse, hoop, trots, amusement, inspiratie, ontzag en liefde zorgt ervoor dat men makkelijker relaties kan aangaan.
  • Sociale vaardigheden: op een positieve manier contact kunnen maken met anderen, zodat relaties kunnen worden opgebouwd die mogelijk ondersteunend kunnen zijn.
  • Mooie herinneringen hebben: deze kunnen inspiratie geven om door te gaan, te accepteren en zijn een bron van positieve emoties.
  • Spiritualiteit: een gevoel van verbondenheid hebben met een hogere macht.

Externe bronnen:

  • Een steunend netwerk: personen en ook dieren kunnen iemand onvoorwaardelijke liefde en verbinding laten ervaren. 
  • Activiteiten: zowel structuur als afleiding kunnen helpen om met tegenslagen om te gaan. Ook kunnen activiteiten helpen om een eigen identiteit te vormen en aan de buitenwereld te laten zien wat je kunt.
  • Een thuis: in een eigen woonplek kan iemand zich veilig voelen en rust ervaren. 

Bron: Bronnen van veerkracht bij personen met een verstandelijke beperkingFemke Scheffers, Xavier Moonen en Eveline van Vugt. 

Het gezin kan de veerkracht van een kind dus vergroten.

Jessica Vervoort-Schel werkt bij Koraal als orthopedagoog-generalist, supervisor NVO en als programmaleider Inhoud & Onderzoek Jeugd. Ze promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op ingrijpende jeugdervaringen bij jeugdigen met cognitieve en adaptieve beperkingen en hun ouders.

Is er een verband tussen de veerkracht van een ouder en de ontwikkeling van zijn of haar kind?

Jessica Vervoort: ‘Jazeker. Hoe veerkrachtiger een ouder kan reageren, hoe beter dat is voor de ontwikkeling van het kind. Zo’n ouder kan namelijk beter afstemmen op de behoeften van het kind en zich beter aanpassen aan de omstandigheden. Een veerkrachtige ouder is in staat om voor het kind een steunende bron te zijn bij het bevorderen van zijn veerkracht. Het kind kan dan meer vertrouwen op de ouder, en er is meer verbondenheid. Ook kan het kind een goed zelfbeeld en zelfvertrouwen ontwikkelen, en zijn emoties leren reguleren.’

Femke Scheffers: ‘Dát is de ideale situatie die je ieder kind gunt. Maar het kan ook anders. Ik ken een vrouw die haar moeder op jonge leeftijd verloor, haar vader raakte alcoholverslaafd waardoor er sprake was van verwaarlozing. Een leraar op school trok aan de bel en zocht hulp voor de vader. Deze vrouw zegt nu dat haar vader er inderdaad niet voor haar is geweest, en dus is er geen sprake van het ideale plaatje van veerkracht, maar ze heeft wel gezien dat hij in therapie ging en dat dat resultaat had. “Dus,” zei deze vrouw, “als ik ook in therapie ga voor mijn traumatische ervaringen, zal het ook met mij beter gaan, net zoals bij mijn vader.” 

Zo kan het dus ook. Mijn oordeel op basis van haar dossier was: afwezige vader dus hij was geen bron van steun. Maar nu zag ik in dat deze vader toch een belangrijke bron van steun is geweest, maar op een andere manier dan ik of andere professionals mogelijk zouden denken.’

Welke les trekken jullie uit dit voorbeeld?

Scheffers: ‘Wat precies bijdraagt aan veerkracht, is voor ieder persoon uniek. In elke levensfase kunnen er ook weer andere bronnen van veerkracht van belang zijn. Professionals moeten daarom met elke cliënt steeds opnieuw in gesprek gaan en goed luisteren. Om vervolgens door te vragen. En vooral: de eigen oordelen opzijzetten.’

Vervoort: ‘Een verhaal met oog voor de beschermende en compenserende ervaringen kan een kind veel steun geven’

Femke Scheffers werkt als gedragsdeskundige bij MEE Zuid-Holland Noord en is  PhD kandidaat aan de Universiteit van Amsterdam. Zij heeft met name expertise over de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking en de diversiteit van deze doelgroep. Dit promotieonderzoek is gericht op het begrijpen van het proces van veerkracht bij personen met een verstandelijke beperking.

Vervoort: ‘Als je hulpvragers vertelt over de werking van het brein, of over bijvoorbeeld de invloed van stress op het brein, kun je hun een ander verhaal geven. Je kijkt dan door de bril van zowel de ingrijpende als de positieve ervaringen. Zoals in het voorbeeld van de vader die er niet was voor zijn dochter: hij was ziek en kon daardoor niet voor zijn dochter zorgen, maar hij heeft wel van haar gehouden. Dat rijkere verhaal, met daarin ook oog voor de beschermende en compenserende ervaringen, kan kinderen veel steun geven.’

Scheffers: ‘Als hulpverlener kun je meedenken: hoe kunnen we jouw verhaal over je familie herschrijven of anders zien?’

Vervoort: ‘Inderdaad. Als professionals zijn we geneigd om het kind te helpen, maar we moeten ons ook bewuster worden van de veerkracht in een gezin. Die kun je versterken door te kijken naar gedeelde overtuigingen, bijvoorbeeld “Hulp helpt”. En naar bestaande patronen. Welke zijn steunend en welke niet? Ook zijn de communicatie en de manier waarop problemen worden opgelost van belang.’

Scheffers: ‘Oók kijken naar wat het gezin nodig heeft, is duurzamer en het geeft betere resultaten.’ 

Hebben maatschappelijke factoren ook invloed op de veerkracht van ouders?

Scheffers: ‘Uit mijn onderzoek blijkt dat juist maatschappelijke factoren belangrijk zijn. Dat geldt voor ouders met een verstandelijke beperking, maar ook voor andere kwetsbare gezinnen. Dan gaat het over gerechtigheid in de maatschappij, beleid en toegang tot de zorg. Ouders met een verstandelijke beperking hebben bijvoorbeeld minder toegang tot zorg. Er zijn wachtlijsten, er is bureaucratie, er moeten IQ-onderzoeken overlegd worden. Het is dan logisch dat deze ouders minder veerkrachtig kunnen reageren op heftige gebeurtenissen.’

Steun aan ouders moet dus óók uit de maatschappij komen?

Vervoort: ‘Ja, steun moet op verschillende niveaus geboden worden. Als eerste heeft het individu hulp nodig bij het ontwikkelen van zijn regulatievaardigheden, zodat het beter kan omgaan met zijn emoties in plaats van te reageren vanuit een automatische stressreactie. Dat is een belangrijke voorwaarde om veerkrachtig te kunnen reageren. Op een ander niveau kunnen ouders steun nodig hebben in de vorm van psychische hulp of traumabehandeling. Als dit niet gebeurt, kan het effect van de hulp aan het kind namelijk minder groot en duurzaam zijn. Professionals moeten meer bijdragen aan het mobiliseren van steunbronnen en krachten in plaats van focussen op problemen en klachten. Tot slot is er inderdaad de samenleving. Behalve over gerechtigheid, beleid en toegang tot de zorg gaat dit over minder oordelen over elkaar en minder uitsluiten. Het gevoel hebben dat je er niet bij hoort of anders bent, is niet goed voor je veerkracht.’

Scheffers: ‘Voor mensen met een verstandelijke beperking begint het oordelen en uitsluiten al op jonge leeftijd. Zij gaan naar het spéciaal onderwijs. Dat geeft al aan dat ze er niet bij horen. En zo is onze samenleving doorspekt van oordelen en hokjes. Het zou meer moeten gaan om inclusie: passend werk, een goede dagbesteding, een gemeenschap waar je bij hoort, je geaccepteerd voelen in de samenleving.’

Vervoort: ‘Groepen die uitsluiting ervaren, laten soms gedrag zien dat de maatschappij onwenselijk vindt, zoals agressie. Maar tegelijkertijd zijn dit de mensen die de meeste steun nodig hebben en daar waarschijnlijk het minst van ontvangen hebben in hun jeugd. Door hun “vervelende” gedrag, dat vaak een gevolg is van ingrijpende jeugdervaringen, krijgen ze ook in het heden minder steun. Dus de primaire pijn, het trauma, wordt dan beantwoord met secundaire pijn: afwijzing en uitsluiting.’

Scheffers: ‘Voor mensen met een verstandelijke beperking begint het oordelen en uitsluiten al op jonge leeftijd’

Kunnen docenten ook iets betekenen voor de veerkracht van kinderen?

Scheffers: ‘Een klas is een reflectie van de samenleving. Dus praat in de klas over inclusie, over het hebben van vooroordelen, over pesten. Daarnaast kunnen docenten een vinger aan de pols houden als ze zien dat het niet goed gaat met een kind. Zij zijn de belangrijkste schakel die hulp in gang kan zetten.’ 

Vervoort: ‘Je kunt de problemen van een kind niet altijd oplossen. Voor een kind is het gevoel dat er iemand voor je is, iemand die vindt dat jij ertoe doet, al zó belangrijk. Maar als je als docent niet goed reageert op het ongewenste gedrag van die ene leerling, bijvoorbeeld door te oordelen, neemt de rest van de klas dat over. Op die manier doe je als docent indirect mee aan uitsluiting. Je zet iets in gang. Dus ook een docent moet veerkrachtig kunnen reageren en positief inspelen op vervelende omstandigheden.’

Magazine over veilig opgroeien

Professionals en beleidsmakers bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen, onderzoeken, dilemma’s en besluiten rond de veiligheid van kinderen. Dat doet Augeo al 10 jaar met onder andere e-learnings, bijeenkomsten en Augeo magazine. Ons magazine verschijnt 5x per jaar. Meld je aan om gratis abonnee te worden.
Volledig scherm