istock-504530736-s-ed...

Auteur: Annemarie van Dijk  |  Leestijd: 15 minuten

in de praktijk

Om gezinnen met complexe problematiek effectief te kunnen helpen, moeten professionals sectoroverstijgend kunnen werken. Hoe zoek je elkaar op en vul je elkaar aan?

Samenwerken op de grens van je expertise

Pilot Jeugdlink: ‘Er is minder weerstand bij gezinnen’

Tips van Annalies:

Annalies van Leeuwen van het Sociaal Wijkteam Ede en Ellen Jurriens, gedragswetenschapper bij William Schrikker Stichting JB&JR, werken samen in de pilot Jeugdlink in de jeugdhulpregio FoodValley.

Ellen: ‘Binnen de jeugdbescherming werkten te veel verschillende instanties naast elkaar, in plaats van mét elkaar. Dat staat een goede dienstverlening in de weg en is onoverzichtelijk voor cliënten. Daarom draaien we bij Foodvalley sinds twee jaar de pilot Jeugdlink. Die is bedoeld om beter aan te sluiten bij de behoefte van gezinnen en meer gebruik te maken van de expertise van het sociaal team, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdbescherming Gelderland en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Meer samen optrekken en niet zes hulpverleners na elkaar over de vloer, maar één of twee. Voordeel: het gezin hoort niet zes keer hetzelfde verhaal en wij kunnen sneller schakelen en aansluiten bij de hulpvraag.’  

Annalies: ‘Als ons sociaal wijkteam een zorgmelding binnenkrijgt van een onveilige situatie binnen een gezin in Ede, bespreken we eerst welke expertise en organisatie we inzetten. We nemen ook de ouders al vroeg mee in dat proces: wat voor hulp heeft jullie voorkeur? Zo deel je de verantwoordelijkheid met de ouders. Ik denk vanuit Jeugdlink mee over casussen en veiligheid. Als een casus vanuit Veilig Thuis komt en er is nog geen Sociaal Team betrokken, sluit Jeugdlink als het nodig is bij de casus aan en trekken we samen op om een totaalpakket aan te bieden. Binnen het Sociaal Team kan ik met collega’s sparren, als ze overwegen een melding te doen bij Jeugdlink.’ 

Ellen: ‘Als je er van het begin tot het einde kunt zijn tijdens zo’n crisis, heeft dat meerwaarde. Je ziet en snapt beter wat er gebeurt en je kunt iemand meenemen richting de oplossing. We zijn nog wel zoekende: hoe sluiten we met de samenwerkende partijen goed aan bij de gezinnen? Er zijn veel protocollen in Nederland en elke organisatie heeft eigen taal en afspraken. Bovendien heerst er bij gezinnen soms wantrouwen jegens Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming.’

  • Blijf als professional nieuwsgierig naar hoe de ander tegen een casus aankijkt. Wat zie ik en wat ziet de ander? Wat zijn de verschillen en waardoor ontstaan deze?
  • Maak jezelf niet te groot of te klein. 
  • Kijk samen naar het geheel: op welk punt kun je samen iets betekenen voor een gezin? Dan ontstaat er een mooie samenwerking die eigenlijk altijd succesvol is.
am-arrow-black-down.jpg (copy)
quote3-turqoise.png (copy1)

‘Als je er van het begin tot het einde kunt zijn tijdens zo’n crisis, heeft dat meerwaarde’

quote3-turqoise.png (copy2)

'Annalies kan vanuit het Sociaal Team ingaan op de hulpvraag van de ouder, terwijl de jeugdbescherming de zorgen over de kinderen aanpakt'

Tip van Ellen:

  • Maak tijd om samen te overleggen en te reflecteren. Dat is nodig, want je moet elkaar leren kennen en elkaar kunnen vinden, terwijl ieder de taal van zijn eigen organisatie spreekt. Bovendien kun je bespreken wat je de volgende keer anders moet doet om beter aan te sluiten bij een gezin.

Ellen: ‘Dat jeugdzorgprofessionals samen naar een gezin toe gaan, werkt goed. Ze maken gebruik van elkaars expertise en verdelen de rollen. Je probeert aan te sluiten bij de hulpvraag van de ouder, maar soms moet je ook heel stellig je zorgen over de veiligheid van de kinderen benoemen. Annalies kan vanuit het Sociaal Team ingaan op de hulpvraag van de ouder, terwijl de jeugdbescherming de zorgen over de kinderen aanpakt waaraan iets gedaan moet worden.’

Annalies: ‘Voorheen was er veel weerstand bij gezinnen. Omdat het contact persoonlijker is, is dat nu minder. Jeugdbeschermers die bij jou op de bank zitten en zich aan je voorstellen, zijn een stuk minder abstract dan een organisatie waarmee je alleen telefonisch contact hebt. Zo was er een casus van ons Sociaal Team waarbij de William Schrikker Stichting betrokken was: een moeder die midden in een vechtscheiding zat, kon haar zoon thuis niet meer de nodige sturing en veiligheid bieden. De vader was tegen een tijdelijke uithuisplaatsing. Onze hulpverleners waren steeds brandjes aan het blussen en kwamen niet toe aan het onderzoeken van patronen.

Binnen Jeugdlink bespraken jeugdbeschermer Veronique en ik de casus voor, en concludeerden dat er rust en spoedeisende zorg nodig was. Veronique bleef de hele dag bij het gezin om moeder en zoon te ondersteunen en door de crisissituatie heen te begeleiden. Eerst leek een tijdelijke uithuisplaatsing niet goed – ook omdat de vader tegen was – maar Veronique zag dat rust in de thuissituatie niet haalbaar was. Een time-out zou rust en veiligheid bieden. Ik overlegde met Ellen wat goed zou zijn voor de zoon. Veronique kon dit overbrengen aan de vader en uiteindelijk gaf hij toestemming. De jongen is dezelfde dag nog ergens geplaatst. Veronique kreeg zelfs een bedankknuffel van de moeder. Na zes weken kwam de zoon weer thuis en ging het stukken beter. Er was vanuit rust gewerkt aan structuur en een veilige basis thuis.’

Vrouwenopvang: ‘De hulp aan moeders en kinderen hangt samen’

Tips van Nora:

Tips van Marieke:

Marieke is als GZ-psycholoog en gedragsdeskundige verbonden aan een GGZ-organisatie voor Kind en Jeugd. Nora is kinderhulpverlener bij de vrouwenopvang. Zowel de vrouwenopvang als de GGZ-organisatie zijn onderdeel van moederorganisatie Emergis.

Nora: ‘Elk kind krijgt hier in de opvang een eigen kinderhulpverlener, mits ouders daarvoor toestemming geven. Door middel van gesprekken en activiteiten zorg ik dat de kinderen worden gehoord en gezien. Ze kunnen hun verhaal bij mij kwijt. Ook geef ik gezinsgerichte begeleiding, waaronder opvoedondersteuning en psycho-educatie aan de moeders. Als de veiligheid het toelaat, heb ik ook contact met de vaders. Daarnaast kijk ik als kinderhulpverlener of de begeleiding die de kinderen krijgen voldoende is, of dat er een behandeling nodig is. Zo ja, hoe krijgen we die behandeling zo snel mogelijk voor elkaar? We vragen Marieke of ze hierover wil meedenken tijdens de cliëntbesprekingen.’ 

Marieke: ‘Samen met een collega ben ik sinds een jaar als gedragsdeskundige verbonden aan de vrouwenopvang. Naast de kinderen richt ik me ook op de moeders, in hun rol als ouder en opvoeder. Ik denk mee met de kinderhulpverleners: wat is er nodig en in welke volgorde? Is behandeling van het kind geïndiceerd of is bijvoorbeeld eerst behandeling van de moeder nodig? Ik spreek sowieso alle moeders in de opvang, en als het nodig is ook hun kinderen. Zo probeer ik sneller een indicatie te stellen voor een behandeling. Bovendien hoop ik op deze manier eerder te kunnen behandelen of doorverwijzen, als er meer nodig is dan de hulpverlening die we op de opvang kunnen bieden.’

Nora: ‘Laatst was er een jongetje in de opvang dat steeds nachtmerries had en niet alleen durfde te gaan slapen. We besloten Marieke erbij te halen.’

Marieke: ‘Hij had een trauma opgelopen door de onveilige situatie binnen het gezin. Ik heb hem een EMDR-behandeling gegeven. Ook de moeder had hulp nodig, constateerde ik. Binnenkort trekt hij met zijn moeder in hun nieuwe woning en gaat zijn moeder met haar problemen aan de slag. De meerwaarde van onze samenwerking is dat de hulp aan moeders en kinderen samenhangt. Zodra een kind start met EMDR, ondersteunen we ook zijn moeder. Gaat het met de moeders goed, dan kunnen ze meer betekenen voor hun kinderen.’

Nora: ‘Het gaat beter met de gezinnen hier sinds Marieke betrokken is. Een voordeel is dat zij niet steeds opnieuw hun verhaal hoeven te vertellen, omdat er al vanaf het begin een behandelaar bij betrokken is. Gezinnen worden meegenomen in het proces; zodra een behandeling start, zijn ze op de hoogte. We hebben korte lijntjes, iedereen in het team weet precies wat er speelt binnen een gezin.’

Marieke: ‘Die korte lijntjes zou ik nog meer willen waarmaken. Ik ben er te weinig omdat ik maar een paar uren per week voor de opvang mag werken. Met mijn leidinggevende ben ik in gesprek over meer uren. Mijn grootste wens is: de behandeling op of dichtbij de opvang geven, zonder schotten tussen vrouwenopvang en GGZ. Zo kunnen we veel sneller ingrijpen.’

* Marieke en Nora heten in het echt anders.

  • Geef als hulpverleners allemaal dezelfde boodschap af en laat de verschillende hulpvormen goed op elkaar aansluiten.
  • Wees je ervan bewust dat je de ouders en kinderen niet los van elkaar kunt zien. Als het niet goed gaat met de moeder, heeft dat effect op het gedrag van de kinderen en op het gezin.
  • Probeer van elkaar te leren als hulpverleners.
  • Fysiek aanwezig zijn is heel belangrijk. Zodra je zichtbaar bent, schieten mensen je makkelijker aan om iets te vragen.
  • Wacht niet te lang met behandelen. Je bent misschien geneigd om te wachten tot de situatie in een gezin stabiel is, maar in deze gezinnen is dat nooit helemaal zo. Start met wat kan en betrek er eventueel andere instanties bij.
am-arrow-black-down.jpg (copy)
quote3-turqoise.png (copy1)

‘Zodra een kind start met EMDR, ondersteunen we ook zijn moeder’

GGD en Jeugdbescherming: ‘Ouders vinden het fijn dat er ook voor hen aandacht is’

Tips van Tessa:

Tips van Paul:

Tessa Brackel is gezinsmanager bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Paul Texeira werkt als sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij de GGD Amsterdam.

Tessa: ‘Omdat we als jeugdbeschermers kennis misten over hoe je ouders met psychische problemen kunt bijstaan, is er sinds 2016 een sociaal psychiatrisch verpleegkundige gekoppeld aan onze teams. Bij elk nieuw gezin gaat er minstens één keer een spv’er mee om beide ouders te zien; ook als er geen sprake is van psychische problemen bij de ouders. Na het eerste gesprek geeft Paul aan of het zinvol is dat hij er het volgende gesprek weer bij is.’

Paul: ‘Zo gaan we zorgvuldig na of er psychische problemen spelen bij ouders en of ze ergens ondersteuning bij nodig hebben. Soms lopen mensen bijvoorbeeld vast door een vechtscheiding waardoor ze tijdelijk niet goed functioneren, maar hebben ze geen psychische stoornis. Hen verwijs ik weleens door naar de praktijkondersteuner van de huisarts, voor laagdrempelige hulp.

Onze aanpak werkt omdat we vanuit verschillende perspectieven naar dezelfde situatie kijken. Zo kun je de problematiek vanuit meerdere kanten aanpakken. Ouders reageren meestal positief, ze vinden het prettig dat er ook aandacht voor hen is. We leggen onze werkwijze duidelijk uit: dat ik slechts deels op de hoogte ben van de situatie en dus blanco het gesprek in ga. En dat ik me niet met hun kinderen bemoei. Als jeugdbescherming langskomt, denken ouders toch vaak: ze willen mijn kinderen afpakken.’ 

Tessa: ‘Van tevoren zit Paul bij de teamvergadering waarin we de casus bespreken. Daarin mogen we in verband met de privacy niet alle informatie delen, zoals de naam van het gezin of andere herkenbare details waardoor een zaak herleidbaar is. Als die informatie relevant is voor de hulp die Paul kan bieden, proberen we die daarna in het gesprek met het gezin wel op tafel te krijgen.’ 

Paul: ‘Als een ouder de situatie zelf kan uitleggen, is dat het mooist. Zodra iets hardop wordt uitgesproken, weten we het allemaal. Dat noemen we de pitch: we vragen ouders om in twee minuten uit te leggen waarom we hier rond de tafel zitten. Die pitch geeft veel informatie: je krijgt een inkijkje in hun hoofd en hart. Waar ligt hun pijn en wat is hun veranderwens?’

Tessa: ‘Zo kreeg een ouder laatst een tijdelijk huisverbod na huiselijk geweld tussen de ouders. Dan wordt jeugdbescherming automatisch betrokken om te checken of het met de kinderen goed gaat. De opa die ook in dat huis woonde, was het niet eens met de melding die was gedaan door Veilig Thuis, wat de aanleiding was geweest voor een Tijdelijk Huisverbod. Hij wilde de gesprekken opnemen en probeerde belangrijke informatie weg te houden. Dat maakte de samenwerking met de hulpverlening moeilijk. Ik vroeg of Paul nog een keer mee wilde om te praten.’ 

Paul: ‘De man bleek zich vooral gekrenkt te voelen. Omdat ik de taal van de jeugdzorg inmiddels heb geleerd, kan ik de vertaalslag maken. Zodra je verschillende talen bij elkaar kunt brengen – die van de ouders, de GGZ en jeugdbescherming – kun je meer bereiken. Ik vroeg hem: ‘Waarom ben je zo boos op jeugdbescherming?’ Omdat ik van een andere organisatie ben, creëerde ik een opening voor een oplossing. Hij voelde zich gehoord. We gunnen het de gezinnen dat we zorgvuldig kijken. Er is nog niet onderzocht of deze aanpak een betere kindveiligheid oplevert. Maar mijn gevoel zegt: door goed te luisteren en aandacht te hebben, kunnen we een gezin beter helpen. Anders had ik allang mijn baan opgezegd.’ 

  • Neem elkaar vanaf het begin mee. Het werkt goed dat Paul steeds bij de bespreking van het gezin is, ook als hij niet langer naar de gesprekken meegaat. Hij kijkt toch met een andere bril dan wij. 
  • Houd je taalgebruik bij een gezin luchtig: ‘Ik kijk naar de kinderen en Paul kijkt naar wat jullie als ouders nodig hebben.’ 
  • Wees niet bang om samen ergens heen te gaan. Het is waardevol om met verschillende disciplines te kijken en zo je blinde vlek te verkleinen.
  • Moedig de pitch aan: vraag ouders om in twee minuten uit te leggen waarom we bij elkaar zijn. Dan zie je mooie dingen gebeuren.
am-arrow-black-down.jpg (copy)
quote3-turqoise.png (copy1)

‘We vragen ouders om in twee minuten uit te leggen waarom we hier rond de tafel zitten. Je krijgt een inkijkje in hun hoofd en hart’

Team op Maat: ‘Mijn werk is leuker geworden door de samenwerking’

Tips van Claire:

Tips van Marleen:

Claire Schilte is intern begeleider op De Zuidwester, een basisschool in een Tilburgse wijk. Binnen Team op Maat werkt ze samen met medewerker complexe jeugd Marleen Heijmans (Toegang Tilburg, voor ondersteuning en zorg).

Claire: ‘Op onze school zitten relatief veel kinderen met complexe problemen. De problemen waren te complex voor ons leerkrachten om aan te pakken. Omdat het meestal lang duurde voor de hulpverlening werd opgestart, voelde ik me machteloos. Verder waren er vaak te veel organisaties betrokken bij de hulpverlening. Op een gegeven moment waren we zoveel bezig met de complexe problematiek rondom kinderen, dat het onderwijs in de knel kwam.

Sinds 2018 werken we met Team op Maat: een gespecialiseerd team dat bij complexe problematiek bij kinderen snel kan schakelen met ouders en andere professionals. Ook mijn collega-IB’er, de schoolmaatschappelijk werkster en schooldirecteur zitten erin. Marleen is de spil van het Team op Maat. Marleen en ik komen regelmatig bij elkaar om casussen door te spreken en ik loop makkelijk bij haar binnen om iets te bespreken. Ze is elke dinsdag aanwezig, dus ouders kunnen haar zien, wat prettiger is dan een hulpverlener op afstand. Als een leerling vastloopt, schuift Marleen meteen aan en maakt samen met school en ouders vervolgafspraken.’

Marleen: ‘Als vroeger een leerling vastliep, werd hij meestal doorgestuurd naar een hulporganisatie buiten de school. Ouders haakten vaak af, ze wilden zich niet wéér ergens moeten aanmelden en hun verhaal doen. Het kind verdween vervolgens uit beeld bij de hulpverlening. Nu ga ik ermee aan de slag. Ik krijg achtergrondinfo over eerdere hulp en leg verbinding tussen de ouders, de hulporganisatie en de school. Ook kan ik makkelijk contact leggen met de GGZ en een netwerkorganisatie zoals Sterk Huis. Zonder dat ik meteen de hele situatie hoef uit te leggen, kan ik leerkrachten bijvoorbeeld laten weten dat er vanuit Veilig Thuis zorgen zijn over een kind. ‘Kunnen jullie deze leerling wat extra aandacht geven?’, vraag ik dan.’ 

Claire: ‘Wat onze samenwerking oplevert? Een leerkracht merkte bijvoorbeeld dat een leerling zich enorm verantwoordelijk voelde voor een gezinslid dat ook bij ons op school zat en met wie het niet goed ging. De last die deze leerling voelde, was te groot om te dragen. Thuis bleek het voor beide kinderen onveilig te zijn. Dankzij een snelle interventie van Team op Maat krijgen zij nu een passende behandeling en begeleiding. Ouders en kinderen deden hun best om de situatie te verbeteren, wat hun onderlinge contact verbeterde. Daardoor namen de problemen af. Inmiddels gaat het met beide kinderen beter en is er steeds minder hulpverlening nodig.’

Marleen: ‘Vroeger zeiden ouders bij probleemsituaties vaak: waarom is er nog steeds niks ingezet, er moet nú iets gebeuren. Om dat te voorkomen, heeft Team op Maat veel aandacht voor preventie. We bespreken een probleem van een leerling zoveel mogelijk voordat het escaleert. Ik ga het gesprek aan met ouders, zodat ze kunnen meedenken over wat er nodig is om erger te voorkomen. Daardoor is er ook bij hen minder frustratie.’ 

Claire: ‘Mijn werk is leuker geworden door de samenwerking in Team op Maat. Ik heb er weer vertrouwen in dat we samen kunnen voorkomen dat problemen bij kinderen groter worden. Ook krijg ik energie van het samen kijken naar wat we kunnen doen voor een kind. We bundelen verschillende expertises en ondersteunen vanuit verschillende invalshoeken het systeem rondom het kind. Zo zoeken we ook weleens contact met buurtondersteuners en de politie. En het is prettig om samen terug te kijken op de geboekte resultaten. We zijn samen verantwoordelijk.’ 

  • Je hebt met meerdere organisaties en dus belangen te maken. Creëer daarom een gezamenlijk denkkader waarbinnen je met z’n allen aan het werk wilt. 
  • Durf af te wijken. Soms is het nodig om een ander pad te kiezen dan gebruikelijk, als het kind dat nodig heeft.
  • Vermijd hokjesdenken en overleg wie wat oppakt. ‘Er is toch schoolmaatschappelijk werk?’ hoor ik weleens. Ja, maar soms moet er iets gebeuren wat meer in mijn expertise ligt. 
  • Zorg voor een open sfeer, waarin je kritisch mag reflecteren en elkaar feedback kunt geven.
am-arrow-black-down.jpg (copy)
quote3-turqoise.png (copy1)

‘Als vroeger een leerling vastliep, werd hij meestal doorgestuurd naar een hulporganisatie buiten de school. Ouders haakten vaak af’

Multidisciplinaire teams: ‘Je moet soms buiten de lijntjes durven kleuren’

Tips van Peter:

Tip van Ellen:

Ellen van Tilburg van Gezinsmanagement Tilburg maakt deel uit van een multidisciplinair (MDA-) team met collega’s uit verschillende organisaties, dat Tilburgse probleemgezinnen bijstaat. Ook zit ze in het multidisciplinaire Veiligheidsteam van het Centrum Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. In beide gevallen werkt ze regelmatig samen met Peter Bogaards, medewerker van het Crisis Interventie Team.

Ellen: ‘Ons MDA-team kijkt wat nodig is om rust en veiligheid te bieden in een langdurige probleemsituatie, waarbij de hulpverlening herhaaldelijk is vastgelopen. We moeten veel met elkaar afstemmen en samenwerken. Dat gaat goed, omdat we met alle organisaties in hetzelfde stadskantoor van de gemeente zitten. Hier werken bijvoorbeeld mensen van het Crisis Interventie Team (CIT), Veilig Thuis en de regisseurs voor de veiligheid in de wijken. Daardoor kun je elkaar snel bijpraten.’ 

Peter: ‘Een voorbeeld. Afgelopen weekend werd ik gebeld: op het station stond een zeventienjarig meisje, heel emotioneel en in de war. Ze zei verwikkeld te zijn in een zeer heftige ruzie met haar moeder en broer. Toen ik het nazocht, bleek zij al een jaar bij gezinsmanagement in beeld te zijn vanwege suïcidaal gedrag. Om de veiligheid te borgen, pakten we deze crisis in eerste instantie zelf op. We spraken met het meisje af dat ze een nachtje bij een vriend zou slapen. Ze reageerde dankbaar op ons luisterend oor. Op maandagochtend lichtten wij gezinsmanagement meteen in over wat er gebeurd was, wat onze aanpak was en wat er volgens ons verder nodig was. Zij konden toen meteen een plan gaan maken.’

Ellen: ‘Elkaar goed op de hoogte houden is enorm belangrijk. Bij een crisisgevoelige zaak zorgen wij vaak voor een vooraankondiging bij het CIT, zodat zij in hun systeem zien wat er in een gezin speelt en daar in dezelfde lijn op kunnen voortborduren. Soms is een acute crisis nodig om een doorbraak te forceren. Het leidde in dit geval tot contact met het meisje, dat altijd zorg had geweigerd. We werken nu actief samen om haar in beeld te houden. Toen ik belde met de GGZ, kon deze geen gedwongen behandelingskader opleggen: de problemen waren niet psychiatrisch, maar systemisch. De Raad voor de Kinderbescherming wilde geen ondertoezichtstelling afgeven vanwege haar verwarde en suïcidale gedrag.

Met hulp van de burgemeester is het meisje in veiligheid gebracht via een jeugdbeschermingsmaatregel, met veiligheidsafspraken en een begeleidende organisatie. Soms moet je lef tonen en buiten de lijntjes durven kleuren. Daarvoor krijgen we binnen ons team de ruimte: medewerkers mogen doorpakken als het moet. Elke organisatie heeft zijn eigen regels en randvoorwaarden om een cliënt te laten instromen, wat kan leiden tot gesloten deuren. Samen met het CIT zoeken we naar wat wél mogelijk is. We vragen beleidsmakers van organisaties om minder strenge regels te hanteren en maatwerk te bieden. Anders vallen mensen steeds tussen wal en schip.’

Peter: ‘Door protocollen en richtlijnen durven we soms niet meer te kijken naar de persoon die we vóór ons zien: wat wil hij en wat heeft hij nodig?’

Ellen: ‘Als Veiligheidsteam willen we door deze regels heen breken. Ik herinner me een casus van een moeder en dochter bij wie al maanden huiselijk geweld speelde. Pas na lang doorvragen bleek waar het om ging: de dochter, die zelfstandig woonde, kreeg haar spullen niet mee van haar moeder. Op een middag huurden we een busje en haalden we die spullen weg. Dat was het einde van het huiselijk geweld. Onorthodox, maar zo simpel kan het zijn.’

  • Evalueer casussen regelmatig, dat verbetert de processen en brengt hiaten aan het licht. Bovendien kun je elkaar dan feedback geven zonder dat er een nare sfeer ontstaat.
  • Draai als hulpverlener eens een dag mee met het CIT. Zelf liepen we ooit een dag mee met de GGZ. Sindsdien begrijpen we elkaar beter en werken we fijner samen.
  • Praat van tevoren met ketenpartners over verwachtingen. Wie heeft welke rol, wie doet wat wanneer? Ontevredenheid over de samenwerking zit ’m vaak in onduidelijkheid daarover. Soms vitten medewerkers van organisaties uit onwetendheid op elkaar. Doe je best om elkaar mee te nemen in de afwegingen die je maakt.
am-arrow-black-down.jpg (copy)
quote3-turqoise.png (copy1)

‘Door protocollen en richtlijnen durven we soms niet meer te kijken naar de persoon die we vóór ons zien: wat wil hij en wat heeft hij nodig?’

Waarom samenwerken op de grens van je expertise?

10 tips

Wat werkt in de samenwerking tussen professionals?

Wie werkt in gezinnen waar het onveilig is, heeft vaak te maken met complexe en weerbarstige problematiek. Het gaat om kinderen en jongeren die worden mishandeld, verwaarloosd of misbruikt. Die lastig gedrag vertonen, overlast geven, spijbelen of niet meedoen in de samenleving. Deze problemen gaan vaak samen met armoede, psychiatrische stoornissen, verslaving, werkloosheid, echtscheiding of huiselijk geweld in het gezin. Niet zelden gaan de problemen over van generatie op generatie.

Om effectief te zijn, moet hulp zich richten op al deze factoren. Dat vraagt om een bundeling van specialistische kennis en kunde op het terrein van gezondheidszorg, jeugdzorg, GGZ, WMO, onderwijs en justitie. Het vraagt om een team van deskundigen die sectoroverstijgend samenwerken, om te zorgen dat het veilig wordt in het gezin en blijft. In de praktijk gebeurt dat al, zoals blijkt uit de voorbeelden in dit artikel.

  1. Investeer in het leren kennen van elkaars expertise, cultuur, taal en missie. Loop eens een keer met elkaar mee.
  2. Blijf nieuwsgierig naar de ander, sta open om van en met elkaar te blijven leren. En maak (of vraag!) daar tijd voor. 
  3. Elke organisatie heeft zijn eigen taal en afspraken: ontwikkel een gezamenlijk denkkader waarin het gemeenschappelijke doel, kindveiligheid, centraal staat.
  4. Spreek uit dat je samen verantwoordelijk bent voor de hulp aan kind en gezin, voor het gezamenlijke resultaat. En blijf dit herhalen, vooral als het moeilijk wordt.
  5. Maak duidelijke afspraken over wie doet wat: rollen, taken en verantwoordelijkheden. Wijs één casusregisseur aan en spreek af wie de contacten met het gezin onderhoudt.
  6. Zorg voor korte lijntjes. Houd elkaar goed op de hoogte van ontwikkelingen in het gezin.
  7. Durf buiten de lijntjes te kleuren en toon lef om te doen wat nodig is. Zorg dat je daarvoor de ruimte krijgt van je organisatie.
  8. Sectoroverstijgende samenwerking is niet alleen een bottom-up, maar ook een top-down proces: samenwerken rondom gezinnen wordt gefaciliteerd en gestimuleerd door heldere samenwerkingsafspraken tussen organisaties.
  9. Samen weet je meer: kijk vanuit verschillende perspectieven. Maak een gezamenlijke probleemanalyse waarin de problematiek én sterke kanten van ouders, kinderen en belangrijke anderen betrokken zijn. Maak één samenhangend plan van aanpak met heldere doelen, waarin duidelijk is wie wat wanneer doet. En wie de regie heeft op de uitvoering van de hulp. Evalueer regelmatig hoe het gaat.
  10. Beoordeel en beslis mét, niet over het gezin. Betrek ouders en kinderen bij de probleemanalyse, het opstellen van doelen en het plan van aanpak. Laat de gezinsleden zelf vertellen wat er aan de hand is. Gebruik duidelijke taal die aansluit bij het gezin.
am-arrow-black-down.jpg (copy)
istock-504530736-s-ed...

in de praktijk

Om gezinnen met complexe problematiek effectief te kunnen helpen, moeten professionals sectoroverstijgend kunnen werken. Hoe zoek je elkaar op en vul je elkaar aan?

Samenwerken op de grens van je expertise

Auteur: Annemarie van Dijk  |  Leestijd: 15 minuten

Pilot Jeugdlink: ‘Er is minder weerstand bij gezinnen’

am-arrow-black-down.jpg (copy)

Annalies van Leeuwen van het Sociaal Wijkteam Ede en Ellen Jurriens, gedragswetenschapper bij William Schrikker Stichting JB&JR, werken samen in de pilot Jeugdlink in de jeugdhulpregio FoodValley.

Ellen: ‘Binnen de jeugdbescherming werkten te veel verschillende instanties naast elkaar, in plaats van mét elkaar. Dat staat een goede dienstverlening in de weg en is onoverzichtelijk voor cliënten. Daarom draaien we bij Foodvalley sinds twee jaar de pilot Jeugdlink. Die is bedoeld om beter aan te sluiten bij de behoefte van gezinnen en meer gebruik te maken van de expertise van het sociaal team, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdbescherming Gelderland en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Meer samen optrekken en niet zes hulpverleners na elkaar over de vloer, maar één of twee. Voordeel: het gezin hoort niet zes keer hetzelfde verhaal en wij kunnen sneller schakelen en aansluiten bij de hulpvraag.’  

Annalies: ‘Als ons sociaal wijkteam een zorgmelding binnenkrijgt van een onveilige situatie binnen een gezin in Ede, bespreken we eerst welke expertise en organisatie we inzetten. We nemen ook de ouders al vroeg mee in dat proces: wat voor hulp heeft jullie voorkeur? Zo deel je de verantwoordelijkheid met de ouders. Ik denk vanuit Jeugdlink mee over casussen en veiligheid. Als een casus vanuit Veilig Thuis komt en er is nog geen Sociaal Team betrokken, sluit Jeugdlink als het nodig is bij de casus aan en trekken we samen op om een totaalpakket aan te bieden. Binnen het Sociaal Team kan ik met collega’s sparren, als ze overwegen een melding te doen bij Jeugdlink.’ 

quote3-turqoise.png (copy2)

'Annalies kan vanuit het Sociaal Team ingaan op de hulpvraag van de ouder, terwijl de jeugdbescherming de zorgen over de kinderen aanpakt'

Ellen: ‘Dat jeugdzorgprofessionals samen naar een gezin toe gaan, werkt goed. Ze maken gebruik van elkaars expertise en verdelen de rollen. Je probeert aan te sluiten bij de hulpvraag van de ouder, maar soms moet je ook heel stellig je zorgen over de veiligheid van de kinderen benoemen. Annalies kan vanuit het Sociaal Team ingaan op de hulpvraag van de ouder, terwijl de jeugdbescherming de zorgen over de kinderen aanpakt waaraan iets gedaan moet worden.’

Annalies: ‘Voorheen was er veel weerstand bij gezinnen. Omdat het contact persoonlijker is, is dat nu minder. Jeugdbeschermers die bij jou op de bank zitten en zich aan je voorstellen, zijn een stuk minder abstract dan een organisatie waarmee je alleen telefonisch contact hebt. Zo was er een casus van ons Sociaal Team waarbij de William Schrikker Stichting betrokken was: een moeder die midden in een vechtscheiding zat, kon haar zoon thuis niet meer de nodige sturing en veiligheid bieden. De vader was tegen een tijdelijke uithuisplaatsing. Onze hulpverleners waren steeds brandjes aan het blussen en kwamen niet toe aan het onderzoeken van patronen.

Binnen Jeugdlink bespraken jeugdbeschermer Veronique en ik de casus voor, en concludeerden dat er rust en spoedeisende zorg nodig was. Veronique bleef de hele dag bij het gezin om moeder en zoon te ondersteunen en door de crisissituatie heen te begeleiden. Eerst leek een tijdelijke uithuisplaatsing niet goed – ook omdat de vader tegen was – maar Veronique zag dat rust in de thuissituatie niet haalbaar was. Een time-out zou rust en veiligheid bieden. Ik overlegde met Ellen wat goed zou zijn voor de zoon. Veronique kon dit overbrengen aan de vader en uiteindelijk gaf hij toestemming. De jongen is dezelfde dag nog ergens geplaatst. Veronique kreeg zelfs een bedankknuffel van de moeder. Na zes weken kwam de zoon weer thuis en ging het stukken beter. Er was vanuit rust gewerkt aan structuur en een veilige basis thuis.’

quote3-turqoise.png (copy1)

‘Als je er van het begin tot het einde kunt zijn tijdens zo’n crisis, heeft dat meerwaarde’

Ellen: ‘Als je er van het begin tot het einde kunt zijn tijdens zo’n crisis, heeft dat meerwaarde. Je ziet en snapt beter wat er gebeurt en je kunt iemand meenemen richting de oplossing. We zijn nog wel zoekende: hoe sluiten we met de samenwerkende partijen goed aan bij de gezinnen? Er zijn veel protocollen in Nederland en elke organisatie heeft eigen taal en afspraken. Bovendien heerst er bij gezinnen soms wantrouwen jegens Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming.’

Tip van Ellen:

Tips van Annalies:

  • Maak tijd om samen te overleggen en te reflecteren. Dat is nodig, want je moet elkaar leren kennen en elkaar kunnen vinden, terwijl ieder de taal van zijn eigen organisatie spreekt. Bovendien kun je bespreken wat je de volgende keer anders moet doet om beter aan te sluiten bij een gezin.
  • Blijf als professional nieuwsgierig naar hoe de ander tegen een casus aankijkt. Wat zie ik en wat ziet de ander? Wat zijn de verschillen en waardoor ontstaan deze?
  • Maak jezelf niet te groot of te klein. 
  • Kijk samen naar het geheel: op welk punt kun je samen iets betekenen voor een gezin? Dan ontstaat er een mooie samenwerking die eigenlijk altijd succesvol is.

Vrouwenopvang: ‘De hulp aan moeders en kinderen hangt samen’

am-arrow-black-down.jpg (copy)

Marieke is als GZ-psycholoog en gedragsdeskundige verbonden aan een GGZ-organisatie voor Kind en Jeugd. Nora is kinderhulpverlener bij de vrouwenopvang. Zowel de vrouwenopvang als de GGZ-organisatie zijn onderdeel van moederorganisatie Emergis.

Nora: ‘Elk kind krijgt hier in de opvang een eigen kinderhulpverlener, mits ouders daarvoor toestemming geven. Door middel van gesprekken en activiteiten zorg ik dat de kinderen worden gehoord en gezien. Ze kunnen hun verhaal bij mij kwijt. Ook geef ik gezinsgerichte begeleiding, waaronder opvoedondersteuning en psycho-educatie aan de moeders. Als de veiligheid het toelaat, heb ik ook contact met de vaders. Daarnaast kijk ik als kinderhulpverlener of de begeleiding die de kinderen krijgen voldoende is, of dat er een behandeling nodig is. Zo ja, hoe krijgen we die behandeling zo snel mogelijk voor elkaar? We vragen Marieke of ze hierover wil meedenken tijdens de cliëntbesprekingen.’ 

Marieke: ‘Samen met een collega ben ik sinds een jaar als gedragsdeskundige verbonden aan de vrouwenopvang. Naast de kinderen richt ik me ook op de moeders, in hun rol als ouder en opvoeder. Ik denk mee met de kinderhulpverleners: wat is er nodig en in welke volgorde? Is behandeling van het kind geïndiceerd of is bijvoorbeeld eerst behandeling van de moeder nodig? Ik spreek sowieso alle moeders in de opvang, en als het nodig is ook hun kinderen. Zo probeer ik sneller een indicatie te stellen voor een behandeling. Bovendien hoop ik op deze manier eerder te kunnen behandelen of doorverwijzen, als er meer nodig is dan de hulpverlening die we op de opvang kunnen bieden.’

Nora: ‘Laatst was er een jongetje in de opvang dat steeds nachtmerries had en niet alleen durfde te gaan slapen. We besloten Marieke erbij te halen.’

Marieke: ‘Hij had een trauma opgelopen door de onveilige situatie binnen het gezin. Ik heb hem een EMDR-behandeling gegeven. Ook de moeder had hulp nodig, constateerde ik. Binnenkort trekt hij met zijn moeder in hun nieuwe woning en gaat zijn moeder met haar problemen aan de slag. De meerwaarde van onze samenwerking is dat de hulp aan moeders en kinderen samenhangt. Zodra een kind start met EMDR, ondersteunen we ook zijn moeder. Gaat het met de moeders goed, dan kunnen ze meer betekenen voor hun kinderen.’

quote3-turqoise.png (copy1)

‘Zodra een kind start met EMDR, ondersteunen we ook zijn moeder’

Nora: ‘Het gaat beter met de gezinnen hier sinds Marieke betrokken is. Een voordeel is dat zij niet steeds opnieuw hun verhaal hoeven te vertellen, omdat er al vanaf het begin een behandelaar bij betrokken is. Gezinnen worden meegenomen in het proces; zodra een behandeling start, zijn ze op de hoogte. We hebben korte lijntjes, iedereen in het team weet precies wat er speelt binnen een gezin.’

Marieke: ‘Die korte lijntjes zou ik nog meer willen waarmaken. Ik ben er te weinig omdat ik maar een paar uren per week voor de opvang mag werken. Met mijn leidinggevende ben ik in gesprek over meer uren. Mijn grootste wens is: de behandeling op of dichtbij de opvang geven, zonder schotten tussen vrouwenopvang en GGZ. Zo kunnen we veel sneller ingrijpen.’

Tips van Nora:

  • Geef als hulpverleners allemaal dezelfde boodschap af en laat de verschillende hulpvormen goed op elkaar aansluiten.
  • Wees je ervan bewust dat je de ouders en kinderen niet los van elkaar kunt zien. Als het niet goed gaat met de moeder, heeft dat effect op het gedrag van de kinderen en op het gezin.
  • Probeer van elkaar te leren als hulpverleners.

Tips van Marieke:

  • Fysiek aanwezig zijn is heel belangrijk. Zodra je zichtbaar bent, schieten mensen je makkelijker aan om iets te vragen.
  • Wacht niet te lang met behandelen. Je bent misschien geneigd om te wachten tot de situatie in een gezin stabiel is, maar in deze gezinnen is dat nooit helemaal zo. Start met wat kan en betrek er eventueel andere instanties bij.

* Marieke en Nora heten in het echt anders.

GGD en Jeugdbescherming: ‘Ouders vinden het fijn dat er ook voor hen aandacht is’

am-arrow-black-down.jpg (copy)

Tessa Brackel is gezinsmanager bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Paul Texeira werkt als sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij de GGD Amsterdam.

Tessa: ‘Omdat we als jeugdbeschermers kennis misten over hoe je ouders met psychische problemen kunt bijstaan, is er sinds 2016 een sociaal psychiatrisch verpleegkundige gekoppeld aan onze teams. Bij elk nieuw gezin gaat er minstens één keer een spv’er mee om beide ouders te zien; ook als er geen sprake is van psychische problemen bij de ouders. Na het eerste gesprek geeft Paul aan of het zinvol is dat hij er het volgende gesprek weer bij is.’

Paul: ‘Zo gaan we zorgvuldig na of er psychische problemen spelen bij ouders en of ze ergens ondersteuning bij nodig hebben. Soms lopen mensen bijvoorbeeld vast door een vechtscheiding waardoor ze tijdelijk niet goed functioneren, maar hebben ze geen psychische stoornis. Hen verwijs ik weleens door naar de praktijkondersteuner van de huisarts, voor laagdrempelige hulp.

Onze aanpak werkt omdat we vanuit verschillende perspectieven naar dezelfde situatie kijken. Zo kun je de problematiek vanuit meerdere kanten aanpakken. Ouders reageren meestal positief, ze vinden het prettig dat er ook aandacht voor hen is. We leggen onze werkwijze duidelijk uit: dat ik slechts deels op de hoogte ben van de situatie en dus blanco het gesprek in ga. En dat ik me niet met hun kinderen bemoei. Als jeugdbescherming langskomt, denken ouders toch vaak: ze willen mijn kinderen afpakken.’ 

Tessa: ‘Van tevoren zit Paul bij de teamvergadering waarin we de casus bespreken. Daarin mogen we in verband met de privacy niet alle informatie delen, zoals de naam van het gezin of andere herkenbare details waardoor een zaak herleidbaar is. Als die informatie relevant is voor de hulp die Paul kan bieden, proberen we die daarna in het gesprek met het gezin wel op tafel te krijgen.’ 

quote3-turqoise.png (copy1)

‘We vragen ouders om in twee minuten uit te leggen waarom we hier rond de tafel zitten. Je krijgt een inkijkje in hun hoofd en hart’

Paul: ‘Als een ouder de situatie zelf kan uitleggen, is dat het mooist. Zodra iets hardop wordt uitgesproken, weten we het allemaal. Dat noemen we de pitch: we vragen ouders om in twee minuten uit te leggen waarom we hier rond de tafel zitten. Die pitch geeft veel informatie: je krijgt een inkijkje in hun hoofd en hart. Waar ligt hun pijn en wat is hun veranderwens?’

Tessa: ‘Zo kreeg een ouder laatst een tijdelijk huisverbod na huiselijk geweld tussen de ouders. Dan wordt jeugdbescherming automatisch betrokken om te checken of het met de kinderen goed gaat. De opa die ook in dat huis woonde, was het niet eens met de melding die was gedaan door Veilig Thuis, wat de aanleiding was geweest voor een Tijdelijk Huisverbod. Hij wilde de gesprekken opnemen en probeerde belangrijke informatie weg te houden. Dat maakte de samenwerking met de hulpverlening moeilijk. Ik vroeg of Paul nog een keer mee wilde om te praten.’ 

Paul: ‘De man bleek zich vooral gekrenkt te voelen. Omdat ik de taal van de jeugdzorg inmiddels heb geleerd, kan ik de vertaalslag maken. Zodra je verschillende talen bij elkaar kunt brengen – die van de ouders, de GGZ en jeugdbescherming – kun je meer bereiken. Ik vroeg hem: ‘Waarom ben je zo boos op jeugdbescherming?’ Omdat ik van een andere organisatie ben, creëerde ik een opening voor een oplossing. Hij voelde zich gehoord. We gunnen het de gezinnen dat we zorgvuldig kijken. Er is nog niet onderzocht of deze aanpak een betere kindveiligheid oplevert. Maar mijn gevoel zegt: door goed te luisteren en aandacht te hebben, kunnen we een gezin beter helpen. Anders had ik allang mijn baan opgezegd.’ 

Tips van Tessa:

  • Neem elkaar vanaf het begin mee. Het werkt goed dat Paul steeds bij de bespreking van het gezin is, ook als hij niet langer naar de gesprekken meegaat. Hij kijkt toch met een andere bril dan wij. 
  • Houd je taalgebruik bij een gezin luchtig: ‘Ik kijk naar de kinderen en Paul kijkt naar wat jullie als ouders nodig hebben.’ 

Tips van Paul:

  • Wees niet bang om samen ergens heen te gaan. Het is waardevol om met verschillende disciplines te kijken en zo je blinde vlek te verkleinen.
  • Moedig de pitch aan: vraag ouders om in twee minuten uit te leggen waarom we bij elkaar zijn. Dan zie je mooie dingen gebeuren.

Team op Maat: ‘Mijn werk is leuker geworden door de samenwerking’

am-arrow-black-down.jpg (copy)

Claire Schilte is intern begeleider op De Zuidwester, een basisschool in een Tilburgse wijk. Binnen Team op Maat werkt ze samen met medewerker complexe jeugd Marleen Heijmans (Toegang Tilburg, voor ondersteuning en zorg).

Claire: ‘Op onze school zitten relatief veel kinderen met complexe problemen. De problemen waren te complex voor ons leerkrachten om aan te pakken. Omdat het meestal lang duurde voor de hulpverlening werd opgestart, voelde ik me machteloos. Verder waren er vaak te veel organisaties betrokken bij de hulpverlening. Op een gegeven moment waren we zoveel bezig met de complexe problematiek rondom kinderen, dat het onderwijs in de knel kwam.

Sinds 2018 werken we met Team op Maat: een gespecialiseerd team dat bij complexe problematiek bij kinderen snel kan schakelen met ouders en andere professionals. Ook mijn collega-IB’er, de schoolmaatschappelijk werkster en schooldirecteur zitten erin. Marleen is de spil van het Team op Maat. Marleen en ik komen regelmatig bij elkaar om casussen door te spreken en ik loop makkelijk bij haar binnen om iets te bespreken. Ze is elke dinsdag aanwezig, dus ouders kunnen haar zien, wat prettiger is dan een hulpverlener op afstand. Als een leerling vastloopt, schuift Marleen meteen aan en maakt samen met school en ouders vervolgafspraken.’

Marleen: ‘Als vroeger een leerling vastliep, werd hij meestal doorgestuurd naar een hulporganisatie buiten de school. Ouders haakten vaak af, ze wilden zich niet wéér ergens moeten aanmelden en hun verhaal doen. Het kind verdween vervolgens uit beeld bij de hulpverlening. Nu ga ik ermee aan de slag. Ik krijg achtergrondinfo over eerdere hulp en leg verbinding tussen de ouders, de hulporganisatie en de school. Ook kan ik makkelijk contact leggen met de GGZ en een netwerkorganisatie zoals Sterk Huis. Zonder dat ik meteen de hele situatie hoef uit te leggen, kan ik leerkrachten bijvoorbeeld laten weten dat er vanuit Veilig Thuis zorgen zijn over een kind. ‘Kunnen jullie deze leerling wat extra aandacht geven?’, vraag ik dan.’ 

quote3-turqoise.png (copy1)

‘Als vroeger een leerling vastliep, werd hij meestal doorgestuurd naar een hulporganisatie buiten de school. Ouders haakten vaak af’

Claire: ‘Wat onze samenwerking oplevert? Een leerkracht merkte bijvoorbeeld dat een leerling zich enorm verantwoordelijk voelde voor een gezinslid dat ook bij ons op school zat en met wie het niet goed ging. De last die deze leerling voelde, was te groot om te dragen. Thuis bleek het voor beide kinderen onveilig te zijn. Dankzij een snelle interventie van Team op Maat krijgen zij nu een passende behandeling en begeleiding. Ouders en kinderen deden hun best om de situatie te verbeteren, wat hun onderlinge contact verbeterde. Daardoor namen de problemen af. Inmiddels gaat het met beide kinderen beter en is er steeds minder hulpverlening nodig.’

Marleen: ‘Vroeger zeiden ouders bij probleemsituaties vaak: waarom is er nog steeds niks ingezet, er moet nú iets gebeuren. Om dat te voorkomen, heeft Team op Maat veel aandacht voor preventie. We bespreken een probleem van een leerling zoveel mogelijk voordat het escaleert. Ik ga het gesprek aan met ouders, zodat ze kunnen meedenken over wat er nodig is om erger te voorkomen. Daardoor is er ook bij hen minder frustratie.’ 

Claire: ‘Mijn werk is leuker geworden door de samenwerking in Team op Maat. Ik heb er weer vertrouwen in dat we samen kunnen voorkomen dat problemen bij kinderen groter worden. Ook krijg ik energie van het samen kijken naar wat we kunnen doen voor een kind. We bundelen verschillende expertises en ondersteunen vanuit verschillende invalshoeken het systeem rondom het kind. Zo zoeken we ook weleens contact met buurtondersteuners en de politie. En het is prettig om samen terug te kijken op de geboekte resultaten. We zijn samen verantwoordelijk.’ 

Tips van Marleen:

Tips van Claire:

  • Vermijd hokjesdenken en overleg wie wat oppakt. ‘Er is toch schoolmaatschappelijk werk?’ hoor ik weleens. Ja, maar soms moet er iets gebeuren wat meer in mijn expertise ligt. 
  • Zorg voor een open sfeer, waarin je kritisch mag reflecteren en elkaar feedback kunt geven.
  • Je hebt met meerdere organisaties en dus belangen te maken. Creëer daarom een gezamenlijk denkkader waarbinnen je met z’n allen aan het werk wilt. 
  • Durf af te wijken. Soms is het nodig om een ander pad te kiezen dan gebruikelijk, als het kind dat nodig heeft.

Multidisciplinaire teams: ‘Je moet soms buiten de lijntjes durven kleuren’

Ellen van Tilburg van Gezinsmanagement Tilburg maakt deel uit van een multidisciplinair (MDA-) team met collega’s uit verschillende organisaties, dat Tilburgse probleemgezinnen bijstaat. Ook zit ze in het multidisciplinaire Veiligheidsteam van het Centrum Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. In beide gevallen werkt ze regelmatig samen met Peter Bogaards, medewerker van het Crisis Interventie Team.

Ellen: ‘Ons MDA-team kijkt wat nodig is om rust en veiligheid te bieden in een langdurige probleemsituatie, waarbij de hulpverlening herhaaldelijk is vastgelopen. We moeten veel met elkaar afstemmen en samenwerken. Dat gaat goed, omdat we met alle organisaties in hetzelfde stadskantoor van de gemeente zitten. Hier werken bijvoorbeeld mensen van het Crisis Interventie Team (CIT), Veilig Thuis en de regisseurs voor de veiligheid in de wijken. Daardoor kun je elkaar snel bijpraten.’ 

Peter: ‘Een voorbeeld. Afgelopen weekend werd ik gebeld: op het station stond een zeventienjarig meisje, heel emotioneel en in de war. Ze zei verwikkeld te zijn in een zeer heftige ruzie met haar moeder en broer. Toen ik het nazocht, bleek zij al een jaar bij gezinsmanagement in beeld te zijn vanwege suïcidaal gedrag. Om de veiligheid te borgen, pakten we deze crisis in eerste instantie zelf op. We spraken met het meisje af dat ze een nachtje bij een vriend zou slapen. Ze reageerde dankbaar op ons luisterend oor. Op maandagochtend lichtten wij gezinsmanagement meteen in over wat er gebeurd was, wat onze aanpak was en wat er volgens ons verder nodig was. Zij konden toen meteen een plan gaan maken.’

Ellen: ‘Elkaar goed op de hoogte houden is enorm belangrijk. Bij een crisisgevoelige zaak zorgen wij vaak voor een vooraankondiging bij het CIT, zodat zij in hun systeem zien wat er in een gezin speelt en daar in dezelfde lijn op kunnen voortborduren. Soms is een acute crisis nodig om een doorbraak te forceren. Het leidde in dit geval tot contact met het meisje, dat altijd zorg had geweigerd. We werken nu actief samen om haar in beeld te houden. Toen ik belde met de GGZ, kon deze geen gedwongen behandelingskader opleggen: de problemen waren niet psychiatrisch, maar systemisch. De Raad voor de Kinderbescherming wilde geen ondertoezichtstelling afgeven vanwege haar verwarde en suïcidale gedrag.

quote3-turqoise.png (copy1)

‘Door protocollen en richtlijnen durven we soms niet meer te kijken naar de persoon die we vóór ons zien: wat wil hij en wat heeft hij nodig?’

Met hulp van de burgemeester is het meisje in veiligheid gebracht via een jeugdbeschermingsmaatregel, met veiligheidsafspraken en een begeleidende organisatie. Soms moet je lef tonen en buiten de lijntjes durven kleuren. Daarvoor krijgen we binnen ons team de ruimte: medewerkers mogen doorpakken als het moet. Elke organisatie heeft zijn eigen regels en randvoorwaarden om een cliënt te laten instromen, wat kan leiden tot gesloten deuren. Samen met het CIT zoeken we naar wat wél mogelijk is. We vragen beleidsmakers van organisaties om minder strenge regels te hanteren en maatwerk te bieden. Anders vallen mensen steeds tussen wal en schip.’

Peter: ‘Door protocollen en richtlijnen durven we soms niet meer te kijken naar de persoon die we vóór ons zien: wat wil hij en wat heeft hij nodig?’

Ellen: ‘Als Veiligheidsteam willen we door deze regels heen breken. Ik herinner me een casus van een moeder en dochter bij wie al maanden huiselijk geweld speelde. Pas na lang doorvragen bleek waar het om ging: de dochter, die zelfstandig woonde, kreeg haar spullen niet mee van haar moeder. Op een middag huurden we een busje en haalden we die spullen weg. Dat was het einde van het huiselijk geweld. Onorthodox, maar zo simpel kan het zijn.’

Tips van Peter:

  • Evalueer casussen regelmatig, dat verbetert de processen en brengt hiaten aan het licht. Bovendien kun je elkaar dan feedback geven zonder dat er een nare sfeer ontstaat.
  • Draai als hulpverlener eens een dag mee met het CIT. Zelf liepen we ooit een dag mee met de GGZ. Sindsdien begrijpen we elkaar beter en werken we fijner samen.

Tip van Ellen:

  • Praat van tevoren met ketenpartners over verwachtingen. Wie heeft welke rol, wie doet wat wanneer? Ontevredenheid over de samenwerking zit ’m vaak in onduidelijkheid daarover. Soms vitten medewerkers van organisaties uit onwetendheid op elkaar. Doe je best om elkaar mee te nemen in de afwegingen die je maakt.
am-arrow-black-down.jpg (copy)

Waarom samenwerken op de grens van je expertise?

am-arrow-black-down.jpg (copy)

Wie werkt in gezinnen waar het onveilig is, heeft vaak te maken met complexe en weerbarstige problematiek. Het gaat om kinderen en jongeren die worden mishandeld, verwaarloosd of misbruikt. Die lastig gedrag vertonen, overlast geven, spijbelen of niet meedoen in de samenleving. Deze problemen gaan vaak samen met armoede, psychiatrische stoornissen, verslaving, werkloosheid, echtscheiding of huiselijk geweld in het gezin. Niet zelden gaan de problemen over van generatie op generatie.

Om effectief te zijn, moet hulp zich richten op al deze factoren. Dat vraagt om een bundeling van specialistische kennis en kunde op het terrein van gezondheidszorg, jeugdzorg, GGZ, WMO, onderwijs en justitie. Het vraagt om een team van deskundigen die sectoroverstijgend samenwerken, om te zorgen dat het veilig wordt in het gezin en blijft. In de praktijk gebeurt dat al, zoals blijkt uit de voorbeelden in dit artikel.

10 tips

Wat werkt in de samenwerking tussen professionals?

  1. Investeer in het leren kennen van elkaars expertise, cultuur, taal en missie. Loop eens een keer met elkaar mee.
  2. Blijf nieuwsgierig naar de ander, sta open om van en met elkaar te blijven leren. En maak (of vraag!) daar tijd voor. 
  3. Elke organisatie heeft zijn eigen taal en afspraken: ontwikkel een gezamenlijk denkkader waarin het gemeenschappelijke doel, kindveiligheid, centraal staat.
  4. Spreek uit dat je samen verantwoordelijk bent voor de hulp aan kind en gezin, voor het gezamenlijke resultaat. En blijf dit herhalen, vooral als het moeilijk wordt.
  5. Maak duidelijke afspraken over wie doet wat: rollen, taken en verantwoordelijkheden. Wijs één casusregisseur aan en spreek af wie de contacten met het gezin onderhoudt.
  6. Zorg voor korte lijntjes. Houd elkaar goed op de hoogte van ontwikkelingen in het gezin.
  7. Durf buiten de lijntjes te kleuren en toon lef om te doen wat nodig is. Zorg dat je daarvoor de ruimte krijgt van je organisatie.
  8. Sectoroverstijgende samenwerking is niet alleen een bottom-up, maar ook een top-down proces: samenwerken rondom gezinnen wordt gefaciliteerd en gestimuleerd door heldere samenwerkingsafspraken tussen organisaties.
  9. Samen weet je meer: kijk vanuit verschillende perspectieven. Maak een gezamenlijke probleemanalyse waarin de problematiek én sterke kanten van ouders, kinderen en belangrijke anderen betrokken zijn. Maak één samenhangend plan van aanpak met heldere doelen, waarin duidelijk is wie wat wanneer doet. En wie de regie heeft op de uitvoering van de hulp. Evalueer regelmatig hoe het gaat.
  10. Beoordeel en beslis mét, niet over het gezin. Betrek ouders en kinderen bij de probleemanalyse, het opstellen van doelen en het plan van aanpak. Laat de gezinsleden zelf vertellen wat er aan de hand is. Gebruik duidelijke taal die aansluit bij het gezin.

Magazine over veilig opgroeien

Professionals en beleidsmakers bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen, onderzoeken, dilemma’s en besluiten rond de veiligheid van kinderen. Dat doet Augeo al 10 jaar met onder andere e-learnings, bijeenkomsten en Augeo magazine. Ons magazine verschijnt 5x per jaar. Meld je aan om gratis abonnee te worden.
Volledig scherm