Auteur: Mariëlle van Bussel  |  Leestijd: 6 minuten

Aanleiding voor huiselijk geweld tegen LHBTI’ers is vaak het niet accepteren van hun 'anders zijn'.  Projectleider sociale veiligheid Nelleke Westerveld en expert LHBTI Charlot Pierik pleiten voor meer kennis én inclusieve hulpverlening.

Thuis afgerekend worden op je identiteit

LHBTI

Expert LHBTI bij Movisie 

Charlot Pierik

Projectleider sociale veiligheid bij Movisie

Nelleke Westerveld

Meer informatie

  • Movisie biedt online trainingen aan voor diverse beroepsgroepen over werken met  LHBTI’s. 
  • M. van Hattum, M. de Greef, R. van der Rijken, e.a. Werkzame factoren in de jeugdhulpverlening: Alliantie, cliëntfactoren en professionalfactoren, Praktikon, HAN (2019)
  • M. de Blank, M. Naezer, W. Krebbekx, e.a., Onzichtbaar in twee werelden. Hulpverlening voor transgender slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling, Atria (2021)

Checklist: werk jij al LHBTI-vriendelijk? 

Act4Respect maakte een genderscantool waarmee je kunt checken in hoeverre je vrij bent van stereotype denkbeelden over genderrollen en -verwachtingen, en waar nog ruimte is voor verbetering.

Is er iets bekend over hoe de doelgroep zelf de hulpverlening ervaart?

Pierik: ‘Professionals adviseren vaak om maar snel uit de kast te komen, maar dat is helemaal niet altijd beter’

Moet het hulpaanbod aangepast worden voor deze doelgroep?

Wat mis je als professional als je die juiste bril niet opzet?

Westerveld: ‘Je kunt kleine interventies doen om personen te bereiken die zich vanuit minderheidsstress niet laten zien’

Waar moet je op letten als je geweld naar deze doelgroep wil signaleren?

Westerveld: ‘We weten uit onderzoek in de jeugdzorg dat hulpverleners vaak denken dat het goed gaat, dat ze een goede werkrelatie hebben, maar dat dat door de cliënt niet zo wordt ervaren. Dus het is erg belangrijk om steeds weer te evalueren met de cliënt, ook omdat we weten dat hulp beter aanslaat als de relatie goed is. Cliënten continu blijven uitnodigen om te vertellen hoe ze de hulp ervaren, gebeurt nog te weinig. Maar, als hulpverleners dat wél doen, blijkt dat cliënten er erg tevreden over zijn. En daar doen we het voor.’

Pierik: ‘Niet alle heterovrouwen zijn hetzelfde, niet alle homoseksuele mannen zijn hetzelfde. Je volgt dus de cliënt in wat er nodig is en wat hij of zij wil. Professionals adviseren bijvoorbeeld vaak om maar snel uit de kast te komen, maar dat is helemaal niet altijd beter.’

Westerveld: ‘Het is belangrijk dat je basiskennis hebt over de doelgroep, zoals over minderheidsstress en coming-out. Als je als organisatie laat zien dat je inclusief werkt en dat iedereen dus welkom is, dan hoeft de hulpverlening zelf niet veel te verschillen dan die voor heterovrouwen of -mannen.’

Westerveld: ‘Als je er bijvoorbeeld van uitgaat dat er een heterovrouw tegenover je zit, kun je over het hoofd zien dat LHBTI een grote invloed kan hebben op haar leven. Je ziet over het hoofd dat ze wellicht in een opvangsetting gediscrimineerd kan worden, en dat er dus sprake kan zijn van onveiligheid. Je ziet ook over het hoofd dat het voor LHTBI-cliënten een extra drempel is om te praten over hun relatie, omdat ze denken dat ze niet geaccepteerd worden. En je ziet over het hoofd dat trans of non-binaire personen zich niet allemaal thuis voelen in een mannen- of vrouwenopvang. Ook kan het feit dat het geweld dat ze meemaken in het publieke domein een wissel trekken op de eigen relatiedynamiek.’

Je kunt kleine interventies doen om personen te bereiken die zich vanuit minderheidsstress niet laten zien, omdat ze niet weten of ze geaccepteerd zullen worden door jou. Laat op je website zien dat niet iedereen er standaard mannelijk of vrouwelijk uitziet, gebruik in je teksten genderneutrale woorden, zet een regenboogvlaggetje op je bureau. Op die manier maak je het veilig voor de ander om bij jou aan te kloppen.’ 

Pierik: ‘Laat zien dat je kennis over de doelgroep hebt. Je moet weten wat er speelt, je moet er over durven praten en weten welke vragen passend zijn. De vraag welke operaties iemand al gehad heeft, is niet relevant en die stel je dus niet. Een vraag uit nieuwsgierigheid is iets anders dan een relevante vraag.’ 

Westerveld: ‘Om elkaar beter te leren kennen, kun je als professional ook standaard vragen hoe iemand aangesproken wil worden. Geef zelf het goede voorbeeld door aan te geven wat jouw voorkeursvoornaamwoorden zijn, dus zij/haar, hij/hem of die/diens. Ook kun je standaard vragen naar iemands partner. 

Als je in gesprek bent over de risicofactoren bij geweld, kun je ook vragen of iemands genderidentiteit een rol heeft gespeeld in de dynamiek van het geweld. Als professional moet je het je eigen maken om dit soort vragen aan iedereen te stellen, dus ook aan een standaard hetero vrouw. Zo geef je iemand de gelegenheid om erover te praten, maar ook de gelegenheid om het te verbergen. Tegelijkertijd laat je wel zien dat de cliënt het mag vertellen, dat het voor jou oké is.’

Pierik: ‘Daarom hameren we er in de door ons gemaakte e-learnings op dat een open houding belangrijk is. Het doorbreekt de cirkel van “Veilig Thuis is niet voor ons, want ze begrijpen ons toch niet”. De juiste bril opzetten is dus van belang.’

Westerveld: ‘Het zijn niet de signalen die anders zijn dan bij hetero’s. Een hetero vrouw die in elkaar is geslagen of een homoseksuele man die in elkaar is geslagen, zullen allebei hetzelfde uitzenden en allebei hetzelfde verborgen willen houden. Maar in het gesprek met hen moet je wel rekening houden met genderidentiteit. Je moet dus inclusieve hulpverlening neerzetten zodat iedereen zich welkom voelt en veiligheid ervaart.

Westerveld: ‘Iedereen weet dat ernstige bedreigingen met bijvoorbeeld een pistool, of doodslag, onder geweld vallen. Maar weet iedereen ook dat ouders die hun kind verbieden om in transitie te gaan ook thuishoort onder het kopje “geweld”? Daarbij, geweld begint vaak klein, met bijvoorbeeld een scheldpartij, en kan langzaam groeien en escaleren. 

Het is ingewikkeld voor professionals om te zien wat ze móéten zien. Bij Movisie werken we daarom hard aan een normatief kader, waarbij je vanuit zeven belangrijke waarden gaat kijken hoe het betreffende gedrag zich verhoudt tot die waarden. Vandaaruit kun je dan bepalen of het bijvoorbeeld om licht of zwaar grensoverschrijdend gedrag gaat.’ 

Westerveld: ‘Als ouders hun kind verbieden om in transitie te gaan, hoort dat thuis onder het kopje 'geweld’'

Pierik: ‘Als je afwijkt van de norm, ontstaat er minderheidsstress: je anticipeert continu op negatieve reacties van anderen’

Westerveld: ‘Uit het nieuwe onderzoek Onzichtbaar in twee werelden blijkt dat professionals onvoldoende zicht hebben op trans personen die met huiselijk geweld te maken hebben. Maar ook organisaties die zich richten op trans personen en de trans personen zelf hebben onvoldoende kennis over huiselijk geweld binnen hun eigen doelgroep. Het is een onderwerp waar nog veel schuld en schaamte omheen hangt.’

Pierik: ‘Er komt ook een sociaal-maatschappelijke component bij kijken. Als je afwijkt van de norm, ontstaat er minderheidsstress: je anticipeert continu op negatieve reacties van anderen, zoals grappen over homo’s. Je raakt er vervolgens aan gewend om dit soort uitspraken te horen, je verlegt je grenzen over wat acceptabel is. Maar ondertussen stapelt het wel op. Als je dan in een relatie te maken krijgt met grensoverschrijdend gedrag, is het moeilijker om dat te vertellen tegen anderen omdat je zo graag geaccepteerd wilt worden om wie je bent. Je wordt afgerekend op je identiteit, wat nogal kleinerend is.’

Westerveld: ‘Je identiteit is je bestaansrecht. Daarom vind ik het ook zo goed dat Transgender Netwerk Nederland dit thema goed voor het voetlicht brengt. Dat zet bewustwording in gang bij hulpverleners of anderen die er nog niet veel van weten. Zo voert TNN gesprekken met Veilig Thuis om te vragen of zij zien wat ze moeten zien. Er is zo veel meer dan alleen een man of een vrouw.’

Westerveld: ‘Ik ken geen onderzoeken naar deze gevolgen. Maar als je zelf weet dat je genderidentiteit van invloed is op het meemaken van geweld, is dat een extra persoonlijk trauma op je identiteitsvorming. Vooral voor jongeren die midden in deze ontwikkeling zitten, is dat extra schadelijk.’

Charlot Pierik: ‘LHBTI’ers voldoen niet aan de gangbare normen die gerelateerd zijn aan gender en lopen daardoor meer risico op geweld. Dat zie je vooral in de publieke ruimte. Het is niet onderzocht, maar we veronderstellen dat dit ook binnen relaties een rol kan spelen. Wel weten we dat trans personen relatief gezien vaak te maken hebben met geweld gepleegd door (stief)ouders en (stief)broers en -zussen. In de praktijk horen we dat het vaak gaat om bijvoorbeeld ouders die niet accepteren dat hun kind een trans persoon is.’  

Hoe komt het dat veel professionals het nog niet zien?

Is geweld tegen LHBTI’ers onderbelicht?

Zijn de gevolgen van huiselijk geweld anders voor LHBTI’ers?

Wat is de reden voor deze hoge cijfers?

Cijfers

Meer informatie in de handreiking Onzichtbaar geweld

Bron: Prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld, Centraal Bureau voor de Statistiek (2020)

Personen met een andere seksuele oriëntatie zijn vaker slachtoffer van huiselijk geweld dan heteroseksuelen.

Pierik: ‘Gezinsleden die geweld gebruiken tegen een trans kind hebben moeite dit gegeven te accepteren’  

Hoe vaak komt huiselijk geweld tegen LHBTI voor?

Nelleke Westerveld: ‘Huiselijk geweld komt bij LHBTI’ers procentueel schrikbarend veel vaker voor dan bij heteroseksuele personen, zo laten twee onderzoeken zien. Uit cijfers van het CBS uit 2020, waar onderscheid gemaakt wordt tussen geweld tegen hetero’s, biseksuelen en homoseksuele mannen/lesbische vrouwen, blijkt dat biseksuelen aanmerkelijk vaker met geweld te maken krijgen. Dan gaat het vooral om verbale agressie en niet-fysieke seksuele intimidatie. 

Het tweede onderzoek, van Transgender Netwerk Nederland (TNN) uit 2018, laat zien dat trans personen een groot risico lopen op huiselijk geweld. Zo zegt bijvoorbeeld 46 procent te maken te hebben gehad met kleineren en bespotten en 28 procent met bijten, schoppen en slaan.’

Auteur: Mariëlle van Bussel  |  Leestijd: 6 minuten

Thuis afgerekend worden op je identiteit

Aanleiding voor huiselijk geweld tegen LHBTI’ers is vaak het niet accepteren van hun 'anders zijn'.  Projectleider sociale veiligheid Nelleke Westerveld en expert LHBTI Charlot Pierik pleiten voor meer kennis én inclusieve hulpverlening.

LHBTI

Meer informatie

  • Movisie biedt online trainingen aan voor diverse beroepsgroepen over werken met  LHBTI’s. 
  • M. van Hattum, M. de Greef, R. van der Rijken, e.a. Werkzame factoren in de jeugdhulpverlening: Alliantie, cliëntfactoren en professionalfactoren, Praktikon, HAN (2019)
  • M. de Blank, M. Naezer, W. Krebbekx, e.a., Onzichtbaar in twee werelden. Hulpverlening voor transgender slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling, Atria (2021)

Checklist: werk jij al LHBTI-vriendelijk? 

Act4Respect maakte een genderscantool waarmee je kunt checken in hoeverre je vrij bent van stereotype denkbeelden over genderrollen en -verwachtingen, en waar nog ruimte is voor verbetering.

Westerveld: ‘We weten uit onderzoek in de jeugdzorg dat hulpverleners vaak denken dat het goed gaat, dat ze een goede werkrelatie hebben, maar dat dat door de cliënt niet zo wordt ervaren. Dus het is erg belangrijk om steeds weer te evalueren met de cliënt, ook omdat we weten dat hulp beter aanslaat als de relatie goed is. Cliënten continu blijven uitnodigen om te vertellen hoe ze de hulp ervaren, gebeurt nog te weinig. Maar, als hulpverleners dat wél doen, blijkt dat cliënten er erg tevreden over zijn. En daar doen we het voor.’

Is er iets bekend over hoe de doelgroep zelf de hulpverlening ervaart?

Pierik: ‘Niet alle heterovrouwen zijn hetzelfde, niet alle homoseksuele mannen zijn hetzelfde. Je volgt dus de cliënt in wat er nodig is en wat hij of zij wil. Professionals adviseren bijvoorbeeld vaak om maar snel uit de kast te komen, maar dat is helemaal niet altijd beter.’

Pierik: ‘Professionals adviseren vaak om maar snel uit de kast te komen, maar dat is helemaal niet altijd beter’

Westerveld: ‘Het is belangrijk dat je basiskennis hebt over de doelgroep, zoals over minderheidsstress en coming-out. Als je als organisatie laat zien dat je inclusief werkt en dat iedereen dus welkom is, dan hoeft de hulpverlening zelf niet veel te verschillen dan die voor heterovrouwen of -mannen.’

Moet het hulpaanbod aangepast worden voor deze doelgroep?

Westerveld: ‘Als je er bijvoorbeeld van uitgaat dat er een heterovrouw tegenover je zit, kun je over het hoofd zien dat LHBTI een grote invloed kan hebben op haar leven. Je ziet over het hoofd dat ze wellicht in een opvangsetting gediscrimineerd kan worden, en dat er dus sprake kan zijn van onveiligheid. Je ziet ook over het hoofd dat het voor LHTBI-cliënten een extra drempel is om te praten over hun relatie, omdat ze denken dat ze niet geaccepteerd worden. En je ziet over het hoofd dat trans of non-binaire personen zich niet allemaal thuis voelen in een mannen- of vrouwenopvang. Ook kan het feit dat het geweld dat ze meemaken in het publieke domein een wissel trekken op de eigen relatiedynamiek.’

Wat mis je als professional als je die juiste bril niet opzet?

Je kunt kleine interventies doen om personen te bereiken die zich vanuit minderheidsstress niet laten zien, omdat ze niet weten of ze geaccepteerd zullen worden door jou. Laat op je website zien dat niet iedereen er standaard mannelijk of vrouwelijk uitziet, gebruik in je teksten genderneutrale woorden, zet een regenboogvlaggetje op je bureau. Op die manier maak je het veilig voor de ander om bij jou aan te kloppen.’ 

Pierik: ‘Laat zien dat je kennis over de doelgroep hebt. Je moet weten wat er speelt, je moet er over durven praten en weten welke vragen passend zijn. De vraag welke operaties iemand al gehad heeft, is niet relevant en die stel je dus niet. Een vraag uit nieuwsgierigheid is iets anders dan een relevante vraag.’ 

Westerveld: ‘Om elkaar beter te leren kennen, kun je als professional ook standaard vragen hoe iemand aangesproken wil worden. Geef zelf het goede voorbeeld door aan te geven wat jouw voorkeursvoornaamwoorden zijn, dus zij/haar, hij/hem of die/diens. Ook kun je standaard vragen naar iemands partner. 

Als je in gesprek bent over de risicofactoren bij geweld, kun je ook vragen of iemands genderidentiteit een rol heeft gespeeld in de dynamiek van het geweld. Als professional moet je het je eigen maken om dit soort vragen aan iedereen te stellen, dus ook aan een standaard hetero vrouw. Zo geef je iemand de gelegenheid om erover te praten, maar ook de gelegenheid om het te verbergen. Tegelijkertijd laat je wel zien dat de cliënt het mag vertellen, dat het voor jou oké is.’

Pierik: ‘Daarom hameren we er in de door ons gemaakte e-learnings op dat een open houding belangrijk is. Het doorbreekt de cirkel van “Veilig Thuis is niet voor ons, want ze begrijpen ons toch niet”. De juiste bril opzetten is dus van belang.’

Westerveld: ‘Je kunt kleine interventies doen om personen te bereiken die zich vanuit minderheidsstress niet laten zien’

Westerveld: ‘Het zijn niet de signalen die anders zijn dan bij hetero’s. Een hetero vrouw die in elkaar is geslagen of een homoseksuele man die in elkaar is geslagen, zullen allebei hetzelfde uitzenden en allebei hetzelfde verborgen willen houden. Maar in het gesprek met hen moet je wel rekening houden met genderidentiteit. Je moet dus inclusieve hulpverlening neerzetten zodat iedereen zich welkom voelt en veiligheid ervaart.

Waar moet je op letten als je geweld naar deze doelgroep wil signaleren?

Westerveld: ‘Iedereen weet dat ernstige bedreigingen met bijvoorbeeld een pistool, of doodslag, onder geweld vallen. Maar weet iedereen ook dat ouders die hun kind verbieden om in transitie te gaan ook thuishoort onder het kopje “geweld”? Daarbij, geweld begint vaak klein, met bijvoorbeeld een scheldpartij, en kan langzaam groeien en escaleren. 

Het is ingewikkeld voor professionals om te zien wat ze móéten zien. Bij Movisie werken we daarom hard aan een normatief kader, waarbij je vanuit zeven belangrijke waarden gaat kijken hoe het betreffende gedrag zich verhoudt tot die waarden. Vandaaruit kun je dan bepalen of het bijvoorbeeld om licht of zwaar grensoverschrijdend gedrag gaat.’ 

Hoe komt het dat veel professionals het nog niet zien?

Westerveld: ‘Als ouders hun kind verbieden om in transitie te gaan, hoort dat thuis onder het kopje 'geweld’'

Westerveld: ‘Uit het nieuwe onderzoek Onzichtbaar in twee werelden blijkt dat professionals onvoldoende zicht hebben op trans personen die met huiselijk geweld te maken hebben. Maar ook organisaties die zich richten op trans personen en de trans personen zelf hebben onvoldoende kennis over huiselijk geweld binnen hun eigen doelgroep. Het is een onderwerp waar nog veel schuld en schaamte omheen hangt.’

Is geweld tegen LHBTI’ers onderbelicht?

Pierik: ‘Er komt ook een sociaal-maatschappelijke component bij kijken. Als je afwijkt van de norm, ontstaat er minderheidsstress: je anticipeert continu op negatieve reacties van anderen, zoals grappen over homo’s. Je raakt er vervolgens aan gewend om dit soort uitspraken te horen, je verlegt je grenzen over wat acceptabel is. Maar ondertussen stapelt het wel op. Als je dan in een relatie te maken krijgt met grensoverschrijdend gedrag, is het moeilijker om dat te vertellen tegen anderen omdat je zo graag geaccepteerd wilt worden om wie je bent. Je wordt afgerekend op je identiteit, wat nogal kleinerend is.’

Westerveld: ‘Je identiteit is je bestaansrecht. Daarom vind ik het ook zo goed dat Transgender Netwerk Nederland dit thema goed voor het voetlicht brengt. Dat zet bewustwording in gang bij hulpverleners of anderen die er nog niet veel van weten. Zo voert TNN gesprekken met Veilig Thuis om te vragen of zij zien wat ze moeten zien. Er is zo veel meer dan alleen een man of een vrouw.’

Pierik: ‘Als je afwijkt van de norm, ontstaat er minderheidsstress: je anticipeert continu op negatieve reacties van anderen’

Westerveld: ‘Ik ken geen onderzoeken naar deze gevolgen. Maar als je zelf weet dat je genderidentiteit van invloed is op het meemaken van geweld, is dat een extra persoonlijk trauma op je identiteitsvorming. Vooral voor jongeren die midden in deze ontwikkeling zitten, is dat extra schadelijk.’

Zijn de gevolgen van huiselijk geweld anders voor LHBTI’ers?

Charlot Pierik: ‘LHBTI’ers voldoen niet aan de gangbare normen die gerelateerd zijn aan gender en lopen daardoor meer risico op geweld. Dat zie je vooral in de publieke ruimte. Het is niet onderzocht, maar we veronderstellen dat dit ook binnen relaties een rol kan spelen. Wel weten we dat trans personen relatief gezien vaak te maken hebben met geweld gepleegd door (stief)ouders en (stief)broers en -zussen. In de praktijk horen we dat het vaak gaat om bijvoorbeeld ouders die niet accepteren dat hun kind een trans persoon is.’  

Wat is de reden voor deze hoge cijfers?

Pierik: ‘Gezinsleden die geweld gebruiken tegen een trans kind hebben moeite dit gegeven te accepteren’  

Cijfers

Bron: Prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld, Centraal Bureau voor de Statistiek (2020)

Personen met een andere seksuele oriëntatie zijn vaker slachtoffer van huiselijk geweld dan heteroseksuelen.

Nelleke Westerveld: ‘Huiselijk geweld komt bij LHBTI’ers procentueel schrikbarend veel vaker voor dan bij heteroseksuele personen, zo laten twee onderzoeken zien. Uit cijfers van het CBS uit 2020, waar onderscheid gemaakt wordt tussen geweld tegen hetero’s, biseksuelen en homoseksuele mannen/lesbische vrouwen, blijkt dat biseksuelen aanmerkelijk vaker met geweld te maken krijgen. Dan gaat het vooral om verbale agressie en niet-fysieke seksuele intimidatie. 

Het tweede onderzoek, van Transgender Netwerk Nederland (TNN) uit 2018, laat zien dat trans personen een groot risico lopen op huiselijk geweld. Zo zegt bijvoorbeeld 46 procent te maken te hebben gehad met kleineren en bespotten en 28 procent met bijten, schoppen en slaan.’

Hoe vaak komt huiselijk geweld tegen LHBTI voor?

Expert LHBTI bij Movisie 

Charlot Pierik

Projectleider sociale veiligheid bij Movisie

Nelleke Westerveld

Magazine over veilig opgroeien

Professionals en beleidsmakers bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen, onderzoeken, dilemma’s en besluiten rond de veiligheid van kinderen. Dat doet Augeo al 10 jaar met onder andere e-learnings, bijeenkomsten en Augeo magazine. Ons magazine verschijnt 5x per jaar. Meld je aan om gratis abonnee te worden.
Volledig scherm