signaleren, screenen, taxeren

Tijdig risico’s inschatten: hoe doe je dat?

Auteur: Annette Wiesman  |  Leestijd: 5 minuten

Om kindermishandeling zo vroeg mogelijk op te merken, moeten professionals tijdig signaleren, screenen en taxeren. Dat gaat helaas niet altijd goed. Onderzoeker Claudia van der Put: ‘We zouden meer met statistische instrumenten moeten werken.’

Welk instrument waar en wanneer?

  • Het Triage-instrument Veilig Thuis richt zich vooral op de situatie in het hier en nu, de acute veiligheid en structurele veiligheid. 
  • De Vragenlijst Stevig Ouderschap schat het toekomstige risico op kindermishandeling in. 
  • De ARIJ, CARE-NL, LIRIK en RIS richten zich op zowel huidige veiligheid als toekomstige risico’s. 
  • Het NSK en de SPUTOVAMO zijn bedoeld om in te schatten of fysiek letsel bij een kind veroorzaakt kan zijn door kindermishandeling.
  • Het Triage-instrument Veilig Thuis is voor medewerkers van de Veilig Thuis-organisaties. 
  • De Vragenlijst Stevig Ouderschap is ontwikkeld voor de jeugdgezondheidszorg. 
  • De ARIJ, CARE-NL, de LIRIK en de RIS hebben een brede doelgroep op het terrein van jeugdhulp en jeugdbescherming.
  • Het NSK en de SPUTOVAMO richten zich op huisartsenposten en spoedeisende hulp in ziekenhuizen.

Bij de ARIJ, de CFRA-NL en de Vragenlijst Stevig Ouderschap vullen professionals informatie in over beschikbare risicofactoren en geeft het instrument een score over het risico.

De andere instrumenten trekken professionals zelf hun conclusies op basis van geïnventariseerde risicofactoren en hun eerdere constateringen. 

Inhoudelijk richten de meeste instrumenten zich op het hele spectrum van kindermishandeling. De CFRA-NL en het NSK en de SPUTOVAMO beperken zich tot fysieke mishandeling en verwaarlozing en de RIS beperkt zich tot seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Meer informatie over welk instrument je waar en wanneer inzet lees je hier

Hier lees je meer over het Consortium Vroeg Preventieve Interventies, waarin diverse onderzoeken worden uitgevoerd en waarvan Claudia van der Put projectleider is.

Opzet

Risico’s nu of straks

Wie

‘Bij een reëel vermoeden van kindermishandeling, bijvoorbeeld vanwege de uitkomsten van die screening, maar ook als er in een gezin kindermishandeling is geconstateerd, volgt een veiligheidstaxatie door Veilig Thuis of de gezinsspecialist van het wijkteam. Daarbij gaat het om de vraag: loopt een kind nu gevaar? Moet ik iets doen om het veilig te stellen? 

Die professional stelt een veiligheidsplan op, bijvoorbeeld aan de hand van Signs of safety, met afspraken die moeten zorgen voor directe veiligheid (nu) en structurele veiligheid (in de toekomst).’

‘Bij risicotaxatie gaat het om de vraag of er in de toekomst een verhoogde kans is op kindermishandeling. Om het risico daarop dus. Zo’n taxatie wordt gedaan bij gezinnen die al in beeld zijn van jeugdzorg. 

Daarbij worden risicofactoren geïnventariseerd die samenhangen met kindermishandeling, zoals psychiatrische problemen, verslaving en (ernstige) stress bij de ouders. 

Uit een risicotaxatie kan blijken dat een gezin gebaat is bij het versterken van beschermende factoren en risicofactoren weg te nemen, zoals het organiseren van steun uit de eigen omgeving of aandacht voor goede daderhulpverlening.’

‘Het signaleren van kindermishandeling gebeurt naar aanleiding van een signaal, een kenmerk dat opvalt, bijvoorbeeld blauwe plekken bij een kind op school. Iedereen kan signaleren: de buurvrouw, de trainer, de juf op school of een zorgmedewerker. Het gaat hierbij om het alert zijn op signalen die mogelijk kunnen wijzen op kindermishandeling en het inzetten van de Meldcode bij vermoedens van kindermishandeling. Bij signaleren gaat het dus om goed kijken en luisteren naar kinderen, letten op wat je ziet.’

Universitair docent Forensische Orthopedagogiek Claudia van der Put (UvA) is projectleider van het consortium Preventie Kindermishandeling.

‘Ja, screening is een relatief snelle manier om bij kinderen uit een bepaalde groep te bepalen: is hier op dit moment mogelijk sprake van kindermishandeling? Een voorbeeld van zo’n groep is: kinderen die met letsel bij spoedeisende hulp en huisartsenposten komen. Artsen en verpleegkundigen gaan aan de hand van de SPUTOVAMO-vragenlijst na of het letsel klopt bij het verhaal van de ouders en of er oudere verwondingen te zien zijn.’

Laten we beginnen bij de basis: wat versta je onder signaleren?

En screening, dat gebeurt systematischer?

Hoe veilig is het kind in dit gezin?

Om kindermishandeling zo veel mogelijk voor te zijn, wordt ook vaak vroegsignalering toegepast: het vroegtijdig in kaart brengen van het risico op toekomstige  kindermishandeling bij zwangeren of ouders met een pasgeboren kind. Het risico wordt ingeschat aan de hand van bijvoorbeeld de Stevig Ouderschap-vragenlijst van de jeugdgezondheidszorg, of de ALPHA-NL, een vragenlijst die zwangeren op verzoek van verloskundigen of artsen zelf invullen. Bij een verhoogd risico volgen preventieve interventies, zoals extra hulp.

Waarom is het belangrijk dat professionals veiligheids- én risicotaxaties doen?

Stel, uit screening blijkt dat er sprake kan zijn van kindermishandeling…

‘Het gaat om de veiligheid nu en de veiligheid straks. Dit onderscheid maken is trouwens niet altijd makkelijk, want waar leg je de scheidslijn tussen nu en straks? Als een professional werkt aan oudercompetenties om het in de toekomst beter te maken, vergeet hij of zij misschien de ellende die nú plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om niet alleen het juiste instrument in te zetten, maar ook te blijven monitoren.

In het nu is meteen actie nodig, zoals  het kind gaat tijdelijk bij opa en oma logeren, een straatverbod voor een ouder of iets anders. Voor de toekomst bijvoorbeeld risicogestuurde zorg. Zo kunnen de uitkomsten van veiligheids- en risicotaxaties om verschillende acties vragen.’

‘Ik denk dat dit deels ligt aan het type instrumenten dat wordt gebruikt. In de jeugdzorg gebruiken professionals vaak instrumenten die zijn gebaseerd op een klinisch oordeel. De LIRIK is bijvoorbeeld een lijst met risicofactoren en beschermende factoren, op grond waarvan de professional zelf een professionele inschatting maakt. 

Onderzoek laat zien dat statistische instrumenten beter werken: daarbij vul je óók een vragenlijst in, maar er rolt een wetenschappelijk onderbouwd oordeel uit. Dat voorspelt beter of er sprake is van een verhoogd risico op kindermishandeling.’

‘Instrumenten zoals de LIRIK bevatten ook factoren die niet voorspellend zijn voor kindermishandeling, zoals beschermende factoren en kindfactoren. Deze factoren worden daardoor mijns inziens te zwaar meegewogen, terwijl ze van ondergeschikt belang zijn. Of een kind zich bijvoorbeeld goed kan aanpassen, is immers niet van belang voor het vaststellen van een verhoogd risico op kindermishandeling in de toekomst.’

‘Toen ik tien jaar geleden voor het eerst het gebruik van een statistisch instrument aan jeugdzorgprofessionals opperde, werd ik bijna uitgelachen. Kan niet, want hier is elke casus uniek, werd gezegd. Maar een persoonlijke inschatting is vaak moeilijk te maken. En je moet die ook kunnen onderbouwen als ouders zeggen dat het onzin is; het is dan jouw persoonlijke mening tegenover die van de ouders. Met een statistisch instrument in de hand kun je zeggen: we weten uit onderzoek dat er een grotere kans is op toekomstige problematiek, gezien de aanwezige risicofactoren.’

‘Ja, Jeugdbescherming regio Amsterdam vroeg ons om een instrument te ontwikkelen dat kort, werkbaar en kloppend is. We hebben de belangrijkste risicofactoren gewogen op grond van hun voorspellende waarde. Het instrument heeft een veiligheids- en een risicodeel. De ARIJ wordt inmiddels landelijk veel gebruikt door wijkteams, jeugdbeschermers en andere professionals. Ze kunnen het veiligheidsdeel gebruiken zo gauw een kind bij hen is aangemeld, en bijvoorbeeld afspreken dat de risicotaxatie binnen zes weken moet gebeuren.’

‘Ik denk dat we op goede weg zijn, ook vanwege het grote gebruik van statistische instrumenten. Wel is het belangrijk om medewerkers daar goed in te trainen. Ik zie dat ze het soms moeilijk vinden om te bepalen welke factoren ze moeten scoren. Als ze bijvoorbeeld zien dat er sprake is van huiselijk geweld, kruisen ze ook maar emotionele en fysieke verwaarlozing aan, ook als ze daar geen signalen van hebben gezien. Om dat onderling goed af te stemmen, is er daarnaast overleg nodig in je organisatie.

In de screening door de JGZ valt nog veel te verbeteren, omdat daar voornamelijk instrumenten met een brede scope op ongunstige opgroei-omstandigheden worden gebruikt. Wij kijken nu hoe we die effectiever kunnen maken voor het opsporen van kindermishandeling.’

Het inschatten van risico’s gaat niet altijd goed, bleek uit eerdere onderzoeken van de samenwerkende inspecties. Hoe komt dat volgens jou?

Waarom denk je dat deze statistische instrumenten beter voorspellen?

Vinden professionals dat niet vervelend om te horen?

Je hebt zelf een statistisch risicotaxatie-instrument ontwikkeld voor de jeugdbescherming, de ARIJ.

Wat moet er volgens jou nog gebeuren om kinderen bij wie risico’s spelen, beter in beeld te krijgen?

‘In de screening door de JGZ valt nog veel te verbeteren’

Alert op welke signalen?

Een signaal is een actueel teken of kenmerk bij een kind. Er zijn tientallen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling: van een groeiachterstand tot het vermijden van oogcontact tot apathie tot depressie.  

De verklaring voor zo’n signaal kán kindermishandeling zijn, maar er kan ook een aandoening of andere oorzaak spelen. Hoe meer van deze signalen een kind uitzendt, hoe groter de kans dat er sprake is van kindermishandeling. 

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft deze drie lijsten samengesteld die als hulpmiddel dienen om bij verschillende leeftijdscategorieën signalen te herkennen en een vermoeden van kindermishandeling te onderbouwen.

Auteur: Annette Wiesman  |  Leestijd: 5 minuten

Om kindermishandeling zo vroeg mogelijk op te merken, moeten professionals tijdig signaleren, screenen en taxeren. Dat gaat helaas niet altijd goed. Onderzoeker Claudia van der Put: ‘We zouden meer met statistische instrumenten moeten werken.’

Tijdig risico’s inschatten: hoe doe je dat?

signaleren, screenen, taxeren

Welk instrument waar en wanneer?

  • Het Triage-instrument Veilig Thuis richt zich vooral op de situatie in het hier en nu, de acute veiligheid en structurele veiligheid. 
  • De Vragenlijst Stevig Ouderschap schat het toekomstige risico op kindermishandeling in. 
  • De ARIJ, CARE-NL, LIRIK en RIS richten zich op zowel huidige veiligheid als toekomstige risico’s. 
  • Het NSK en de SPUTOVAMO zijn bedoeld om in te schatten of fysiek letsel bij een kind veroorzaakt kan zijn door kindermishandeling.
  • Het Triage-instrument Veilig Thuis is voor medewerkers van de Veilig Thuis-organisaties. 
  • De Vragenlijst Stevig Ouderschap is ontwikkeld voor de jeugdgezondheidszorg. 
  • De ARIJ, CARE-NL, de LIRIK en de RIS hebben een brede doelgroep op het terrein van jeugdhulp en jeugdbescherming.
  • Het NSK en de SPUTOVAMO richten zich op huisartsenposten en spoedeisende hulp in ziekenhuizen.

Bij de ARIJ, de CFRA-NL en de Vragenlijst Stevig Ouderschap vullen professionals informatie in over beschikbare risicofactoren en geeft het instrument een score over het risico.

De andere instrumenten trekken professionals zelf hun conclusies op basis van geïnventariseerde risicofactoren en hun eerdere constateringen. 

Inhoudelijk richten de meeste instrumenten zich op het hele spectrum van kindermishandeling. De CFRA-NL en het NSK en de SPUTOVAMO beperken zich tot fysieke mishandeling en verwaarlozing en de RIS beperkt zich tot seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Meer informatie over welk instrument je waar en wanneer inzet lees je hier

Hier lees je meer over het Consortium Vroeg Preventieve Interventies, waarin diverse onderzoeken worden uitgevoerd en waarvan Claudia van der Put projectleider is.

Opzet

Risico’s nu of straks

Wie

Het inschatten van risico’s gaat niet altijd goed, bleek uit eerdere onderzoeken van de samenwerkende inspecties. Hoe komt dat volgens jou?

Universitair docent Forensische Orthopedagogiek Claudia van der Put (UvA) is projectleider van het consortium Preventie Kindermishandeling.

Laten we beginnen bij de basis: wat versta je onder signaleren?

‘Het signaleren van kindermishandeling gebeurt naar aanleiding van een signaal, een kenmerk dat opvalt, bijvoorbeeld blauwe plekken bij een kind op school. Iedereen kan signaleren: de buurvrouw, de trainer, de juf op school of een zorgmedewerker. Het gaat hierbij om het alert zijn op signalen die mogelijk kunnen wijzen op kindermishandeling en het inzetten van de Meldcode bij vermoedens van kindermishandeling. Bij signaleren gaat het dus om goed kijken en luisteren naar kinderen, letten op wat je ziet.’

En screening, dat gebeurt systematischer?

‘Ja, screening is een relatief snelle manier om bij kinderen uit een bepaalde groep te bepalen: is hier op dit moment mogelijk sprake van kindermishandeling? Een voorbeeld van zo’n groep is: kinderen die met letsel bij spoedeisende hulp en huisartsenposten komen. Artsen en verpleegkundigen gaan aan de hand van de SPUTOVAMO-vragenlijst na of het letsel klopt bij het verhaal van de ouders en of er oudere verwondingen te zien zijn.’

‘Bij een reëel vermoeden van kindermishandeling, bijvoorbeeld vanwege de uitkomsten van die screening, maar ook als er in een gezin kindermishandeling is geconstateerd, volgt een veiligheidstaxatie door Veilig Thuis of de gezinsspecialist van het wijkteam. Daarbij gaat het om de vraag: loopt een kind nu gevaar? Moet ik iets doen om het veilig te stellen? 

Die professional stelt een veiligheidsplan op, bijvoorbeeld aan de hand van Signs of safety, met afspraken die moeten zorgen voor directe veiligheid (nu) en structurele veiligheid (in de toekomst).’

‘Bij risicotaxatie gaat het om de vraag of er in de toekomst een verhoogde kans is op kindermishandeling. Om het risico daarop dus. Zo’n taxatie wordt gedaan bij gezinnen die al in beeld zijn van jeugdzorg. 

Daarbij worden risicofactoren geïnventariseerd die samenhangen met kindermishandeling, zoals psychiatrische problemen, verslaving en (ernstige) stress bij de ouders. 

Uit een risicotaxatie kan blijken dat een gezin gebaat is bij het versterken van beschermende factoren en risicofactoren weg te nemen, zoals het organiseren van steun uit de eigen omgeving of aandacht voor goede daderhulpverlening.’

Stel, uit screening blijkt dat er sprake kan zijn van kindermishandeling…

Alert op welke signalen?

Een signaal is een actueel teken of kenmerk bij een kind. Er zijn tientallen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling: van een groeiachterstand tot het vermijden van oogcontact tot apathie tot depressie.  

De verklaring voor zo’n signaal kán kindermishandeling zijn, maar er kan ook een aandoening of andere oorzaak spelen. Hoe meer van deze signalen een kind uitzendt, hoe groter de kans dat er sprake is van kindermishandeling. 

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft deze drie lijsten samengesteld die als hulpmiddel dienen om bij verschillende leeftijdscategorieën signalen te herkennen en een vermoeden van kindermishandeling te onderbouwen.

Waarom is het belangrijk dat professionals veiligheids- én risicotaxaties doen?

‘Het gaat om de veiligheid nu en de veiligheid straks. Dit onderscheid maken is trouwens niet altijd makkelijk, want waar leg je de scheidslijn tussen nu en straks? Als een professional werkt aan oudercompetenties om het in de toekomst beter te maken, vergeet hij of zij misschien de ellende die nú plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om niet alleen het juiste instrument in te zetten, maar ook te blijven monitoren.

In het nu is meteen actie nodig, zoals  het kind gaat tijdelijk bij opa en oma logeren, een straatverbod voor een ouder of iets anders. Voor de toekomst bijvoorbeeld risicogestuurde zorg. Zo kunnen de uitkomsten van veiligheids- en risicotaxaties om verschillende acties vragen.’

‘Ik denk dat dit deels ligt aan het type instrumenten dat wordt gebruikt. In de jeugdzorg gebruiken professionals vaak instrumenten die zijn gebaseerd op een klinisch oordeel. De LIRIK is bijvoorbeeld een lijst met risicofactoren en beschermende factoren, op grond waarvan de professional zelf een professionele inschatting maakt. 

Onderzoek laat zien dat statistische instrumenten beter werken: daarbij vul je óók een vragenlijst in, maar er rolt een wetenschappelijk onderbouwd oordeel uit. Dat voorspelt beter of er sprake is van een verhoogd risico op kindermishandeling.’

Hoe veilig is het kind in dit gezin?

Om kindermishandeling zo veel mogelijk voor te zijn, wordt ook vaak vroegsignalering toegepast: het vroegtijdig in kaart brengen van het risico op toekomstige  kindermishandeling bij zwangeren of ouders met een pasgeboren kind. Het risico wordt ingeschat aan de hand van bijvoorbeeld de Stevig Ouderschap-vragenlijst van de jeugdgezondheidszorg, of de ALPHA-NL, een vragenlijst die zwangeren op verzoek van verloskundigen of artsen zelf invullen. Bij een verhoogd risico volgen preventieve interventies, zoals extra hulp.

Vinden professionals dat niet vervelend om te horen?

Waarom denk je dat deze statistische instrumenten beter voorspellen?

‘Instrumenten zoals de LIRIK bevatten ook factoren die niet voorspellend zijn voor kindermishandeling, zoals beschermende factoren en kindfactoren. Deze factoren worden daardoor mijns inziens te zwaar meegewogen, terwijl ze van ondergeschikt belang zijn. Of een kind zich bijvoorbeeld goed kan aanpassen, is immers niet van belang voor het vaststellen van een verhoogd risico op kindermishandeling in de toekomst.’

‘Toen ik tien jaar geleden voor het eerst het gebruik van een statistisch instrument aan jeugdzorgprofessionals opperde, werd ik bijna uitgelachen. Kan niet, want hier is elke casus uniek, werd gezegd. Maar een persoonlijke inschatting is vaak moeilijk te maken. En je moet die ook kunnen onderbouwen als ouders zeggen dat het onzin is; het is dan jouw persoonlijke mening tegenover die van de ouders. Met een statistisch instrument in de hand kun je zeggen: we weten uit onderzoek dat er een grotere kans is op toekomstige problematiek, gezien de aanwezige risicofactoren.’

Je hebt zelf een statistisch risicotaxatie-instrument ontwikkeld voor de jeugdbescherming, de ARIJ.

‘Ja, Jeugdbescherming regio Amsterdam vroeg ons om een instrument te ontwikkelen dat kort, werkbaar en kloppend is. We hebben de belangrijkste risicofactoren gewogen op grond van hun voorspellende waarde. Het instrument heeft een veiligheids- en een risicodeel. De ARIJ wordt inmiddels landelijk veel gebruikt door wijkteams, jeugdbeschermers en andere professionals. Ze kunnen het veiligheidsdeel gebruiken zo gauw een kind bij hen is aangemeld, en bijvoorbeeld afspreken dat de risicotaxatie binnen zes weken moet gebeuren.’

Wat moet er volgens jou nog gebeuren om kinderen bij wie risico’s spelen, beter in beeld te krijgen?

‘Ik denk dat we op goede weg zijn, ook vanwege het grote gebruik van statistische instrumenten. Wel is het belangrijk om medewerkers daar goed in te trainen. Ik zie dat ze het soms moeilijk vinden om te bepalen welke factoren ze moeten scoren. Als ze bijvoorbeeld zien dat er sprake is van huiselijk geweld, kruisen ze ook maar emotionele en fysieke verwaarlozing aan, ook als ze daar geen signalen van hebben gezien. Om dat onderling goed af te stemmen, is er daarnaast overleg nodig in je organisatie.

‘In de screening door de JGZ valt nog veel te verbeteren’

In de screening door de JGZ valt nog veel te verbeteren, omdat daar voornamelijk instrumenten met een brede scope op ongunstige opgroei-omstandigheden worden gebruikt. Wij kijken nu hoe we die effectiever kunnen maken voor het opsporen van kindermishandeling.’

Magazine over veilig opgroeien

Professionals en beleidsmakers bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen, onderzoeken, dilemma’s en besluiten rond de veiligheid van kinderen. Dat doet Augeo al 10 jaar met onder andere e-learnings, bijeenkomsten en Augeo magazine. Ons magazine verschijnt 5x per jaar. Meld je aan om gratis abonnee te worden.
Volledig scherm