Augeo Magazine

Editie 16 - december 2019

Gevolgen op lange termijn voorkomen

Een kind dat op jonge leeftijd geweld of verwaarlozing meemaakt, kan daar ook later nog veel last van hebben. Sterker nog, slachtoffers hebben er soms hun leven lang last van. Hoe kan het dat kindermishandeling zo lang en op zo veel gebieden invloed heeft? Wat kun jij als professional doen om ernstige schade te helpen voorkomen? Je leest er alles over in dit nummer.

Inhoud

Voorwoord

De schade van een onveilige jeugd

•••• 1 ••••

Interview

‘Jeugdtrauma’s hebben een rampzalig effect op je gezondheid’

•••• 2 ••••

Essay

Veerkracht laat mishandelde kinderen bloeien 

•••• 3 ••••

In de praktijk

‘Als leerkracht kun je absoluut het verschil maken’

•••• 4 ••••

Reportage

‘Kindermishandeling voorkomen begint al vóór de geboorte’

•••• 5 ••••

Brief aan...

‘Binnen een kwartier heb je mijn vertrouwen kapotgemaakt’ 

•••• 6 ••••

Interview

‘Het leven van slachtoffers staat bol van de trauma-triggers’

•••• 7 ••••

Achtergrond

7 factoren die beschermen tegen overdracht van geweld en verwaarlozing 

•••• 8 ••••

BN'er aan het woord

‘Ik dacht dat ik het geweld aan mezelf te danken had’

•••• 9 ••••

Over Augeo

Samen geven we kindermishandeling geen toekomst

•••• 10 ••••

Voorwoord

Edith Geurts

Hoofdredacteur 

Augeo Magazine

Leestijd: 1,5 minuut

De schade van een onveilige jeugd

‘Pff, ik dacht dat ik daar nu wel overheen was! Het is al zo lang geleden…’ Gefrustreerd en aangeslagen vertelt een vriendin dat ze laatst tijdens een vergadering zo boos werd dat ze zich niet kon beheersen, in woede uitbarstte en wegliep. Haar collega’s begrepen er niets van: zij reageert altijd zo rustig en beheerst, waarom ontplofte ze opeens? 

Mijn vriendin weet het wel: het raakt haar diep als ze het gevoel heeft dat iemand haar negeert of niet serieus neemt. Dat doet haar denken aan vroeger thuis. Dan voelt ze zich even weer dat kind van toen: niet gewenst en onzichtbaar. Meestal kan ze ermee omgaan, soms – zoals laatst op het werk – raakt ze erdoor overspoeld. 

De effecten van kindermishandeling kunnen verstrekkend en hardnekkig zijn – zowel op korte als lange termijn. Het onderzoek van Felitti en Anda uit 1998 speelde een belangrijke rol in wat we hierover weten. Daaruit bleek dat ongeveer de helft van de bevolking  te maken had met tenminste één ingrijpende jeugdervaring, zoals verwaarlozing, mishandeling en misbruik. Maar het onderzoek toonde meer aan – en dat is misschien nog wel belangrijker: wie in zijn jeugd ingrijpende dingen meemaakt, heeft een hoger risico op psychische en lichamelijke gezondheidsschade op volwassen leeftijd. Dat kan zorgen voor onder andere depressie, verslavingsproblemen, spanningsklachten, moeite met het aangaan of behouden van relaties en met het beheersen van emoties.

Als iemand haar negeert, voelt ze zich weer dat kind van toen: niet gewenst en onzichtbaar
John Doe

Wat kunnen we hiermee in ons werk met volwassenen en kinderen? Het is niet vanzelfsprekend dat we denken  aan een verband tussen hun klachten en ingrijpende jeugdervaringen. Meestal focussen we vooral op wat we zien: de klacht, de ziekte, het probleem, het ongepaste gedrag. Vaak vellen we daarover te snel een oordeel en gaan we voorbij aan de oorzaak ervan. 

De kans dat je als professional te maken krijgt met kinderen en volwassenen die mishandeld of verwaarloosd zijn, is groot. Het is dus belangrijk dat je weet welke effecten die ervaringen kunnen hebben – op korte maar ook op lange termijn. Dan herken je de symptomen en kun je je steeds afvragen of een patiënt, cliënt of leerling misschien iets ingrijpends heeft meegemaakt. Zo kun je iemand helpen het verband te leggen tussen de huidige problemen en de ervaringen van vroeger. Maar vooral kun je laten weten dat je de schade van een onveilige jeugd kunt beperken. In dit nummer lees je daarover. 

Interview

‘Jeugdtrauma’s hebben een rampzalig effect op de gezondheid’

Haar patiëntje Diego was al 7, maar geen millimeter gegroeid sinds hij op zijn 4de seksueel werd misbruikt. Dat deed de Amerikaanse kinderarts Nadine Burke Harris beseffen dat er meer nodig is dan alleen medische kennis om kinderen als Diego te behandelen. 

Auteur: Ditty Eimers  |  Fotografie: Michael Winokur

Leestijd: 8 minuten

Toen Nadine Burke Harris dertien jaar geleden een jeugdkliniek opzette in Bayview, een van de armste wijken van San Francisco, wist ze dat ze ellende zou tegenkomen. En ja, in haar spreekkamer hoorde ze het ene schrijnende verhaal na het andere. Maar anders dan ze had verwacht, waren het juist de medische klachten van haar patiënten die haar van haar stuk brachten. Ze zag kinderen die al jaren niet meer groeiden. Baby’s met de ene na de andere infectie. Lusteloze kleuters met haaruitval. 8-Jarigen met obesitas. Tieners met zware astma-aanvallen. En dan leek Bayview ook nog getroffen door een epidemie van ADHD. 


Al die problemen leken het meest voor te komen bij kinderen met ingrijpende ervaringen: kinderen die getuige waren geweest van een moordaanslag bijvoorbeeld. Of kinderen die thuis werden mishandeld. 


‘Elke dag reed ik met een leeg gevoel naar huis,’ schrijft Burke Harris in haar boek The deepest well – in het Nederlands vertaald als Ingrijpende jeugdervaringen en gezondheidsproblemen. ‘Ik deed mijn uiterste best, maar het was lang niet genoeg om deze kinderen te helpen.' 

In haar boek vertelt ze over haar speurtocht naar het verband tussen jeugdtrauma’s en gezondheid. Ze laat zien hoe groot de impact is van ingrijpende jeugdervaringen. Maar ze vertelt ook wat artsen, leerkrachten, ouders en andere betrokkenen kunnen doen om de negatieve spiraal te doorbreken. ‘Het is nooit te laat om te beginnen met genezing.’

Wanneer kreeg u voor het eerst een vermoeden over het effect van jeugdtrauma’s op de lichamelijke gezondheid? 

‘Ik had al lange tijd het gevoel dat er een verband was en dat mijn medische kennis tekortschoot om mijn patiënten goed te behandelen. Maar het was Diego, een vrolijk jongetje met een grote bos zwart haar, die ervoor zorgde dat ik dat knagende gevoel niet meer kon negeren. Wat een schattige kleuter, dacht ik toen hij mijn spreekkamer binnenkwam. Maar Diego was geen kleuter, hij was al 7. Sinds z’n 4de was hij geen millimeter gegroeid. Zijn moeder vertelde dat hij toen seksueel misbruikt was door een kennis. Mijn god, dacht ik, nu moet ik echt zien uit te vinden wat er in hemelsnaam aan de hand is met onze kinderen.’

Waarom was het juist dit verhaal dat u stimuleerde om op onderzoek uit te gaan?

‘Ik denk dat iedere arts tegenwoordig erkent dat stress impact heeft op de gezondheid. Maar om zo’n patiëntje als Diego te zien, dat was zo extreem, zo schokkend. Ineens drong het tot me door: dit is een médisch probleem waarmee ik als dokter iets moet. Voorheen vond ik dat ik me moest inzetten om de sociale omstandigheden van kinderen in Bayview te verbeteren. Verder hield ik me vast aan wat ik tijdens mijn opleiding tot kinderarts had geleerd: je moet kinderen goede zorg bieden, hun ouders voorlichten en de zorg betaalbaar houden. Maar in Bayview was dat voor de meeste kinderen niet voldoende.’

Waarom niet?

'Omdat deze kinderen traumatische dingen hadden meegemaakt die hun gezondheid verwoestten. Samen met mijn team heb ik ruim zestienduizend recente wetenschappelijke artikelen doorgespit over de impact van ingrijpende jeugdervaringen op de gezondheid van kinderen. Een van de studies waarop we stuitten, was de Adverse Childhood Experiences Study uit 1998: een omvangrijke studie die een verband aantoonde tussen ACE’s (ingrijpende jeugdervaringen) en een slechte lichamelijke gezondheid. Elke categorie van mishandeling, verwaarlozing of disfunctioneren van het gezin telde als een punt. Iemand met vier of meer ACE’s had bijvoorbeeld twee keer zoveel kans op een hartaandoening of kanker en bijna vier keer zoveel kans op COPD als iemand zonder ACE’s.’

Wat betekende die ontdekking voor u?

‘Ik was zo opgewonden dat ik nachten niet kon slapen. Omdat ik zo veel herkende: elke dag zag ik in de kliniek dat patiëntjes met ACE’s meer gezondheidsklachten hadden. Geen hartziekten of kanker, maar wel aandoeningen die een voorbode konden zijn: obesitas, astma. Ik was ook verbijsterd: waarom had ik tijdens mijn studie nooit iets gehoord over dit baanbrekende onderzoek?’

Hoe komt dat, denkt u? 

‘Ik denk dat de medische wereld ervan uitgaat dat ongezond gedrag de grootste boosdoener is. Mensen met een nare jeugd gaan eerder roken, drinken, veel eten, drugs gebruiken. Maar dat is niet het hele verhaal. Uit recent onderzoek blijkt dat "slecht gedrag" bij mensen met traumatische ervaringen maar voor 50 procent verantwoordelijk is voor gezondheidsklachten.

‘Mensen met een nare jeugd gaan eerder roken, drinken en drugs gebruiken. Maar dat is niet het hele verhaal’
John Doe

Misschien is het te eng om te beseffen hoe verwoestend de impact van jeugdtrauma’s kan zijn? Iedereen denkt: dit overkomt alleen kinderen en volwassen in achterbuurten. Niets is minder waar, alleen is het probleem in welgestelde kringen meer verborgen. 

Een derde reden dat de ACE-studie zo weinig aandacht kreeg, is dat de onderzoekers geen verklaring hadden voor hun resultaten: in 1998 was nog niet bekend wat het biologische mechanisme is achter de impact van kindermishandeling en jeugdtrauma’s op de gezondheid. Inmiddels weten we daar veel meer over. Toxische stress is het sleutelwoord.’

Wat is het verschil tussen toxische stress en gewone stress? 

‘Als we worden blootgesteld aan gevaar of een andere stressvolle situatie, maakt ons lichaam stresshormonen aan. Dat is normaal. Is het gevaar geweken, dan neemt het aantal stresshormonen weer af. Maar wanneer de stressreactie steeds wordt geactiveerd, blijft het stresssysteem "aanstaan". Zoals bij een groot aantal van mijn patiëntjes, die thuis werden mishandeld of andere heftige dingen meemaakten.

Dat is zeer schadelijk, zeker als kinderen nog volop in ontwikkeling zijn. Die chronische stress kan overgaan in toxische stress, als kinderen onvoldoende hulp krijgen om te herstellen. Hun stoplicht blijft dan steeds op rood staan. Dat noemen we toxische stress, omdat het de hersenen beschadigt en het hormoon- en stresssysteem ontregelt.’

‘Bij veel van mijn patiëntjes blijft het stresssysteem “aanstaan”. Dat is heel schadelijk’
John Doe

Wat betekent dat voor de gezondheid van kinderen? 

‘Toxische stress kan zich bij kinderen dus uiten in groeiachterstand, maar ook in allerlei andere problemen, zoals achterblijvende cognitieve ontwikkeling, astma, hardnekkige infecties, diabetes, ontregelde slaap, leer- en gedragsproblemen en auto-immuunziekten. Vaak reageren deze kinderen ook onvoldoende op de gangbare medicatie.’

Wat doet uw kliniek anders dan voorheen sinds u deze kennis heeft? 

‘Het belangrijkste is dat wij alle patiëntjes screenen op ACE’s. Bij kinderen met een of meer ACE’s zijn we alert: lopen ze risico op toxische stress, hebben ze al symptomen? Dat kan betekenen dat ze een andere behandeling krijgen. Neem Lila, een meisje van 3 jaar dat slecht groeide. Ze had allerlei voedingspreparaten en medicijnen gehad. Niets hielp. Toen ik zag dat ze een ACE-score van 7 had, besefte ik dat haar groeiachterstand waarschijnlijk niets met calorieën te maken had; het waren de stresshormonen die haar dwarszaten. We kregen de moeder zover dat ze meewerkte aan een rechterlijke maatregel om haar gewelddadige partner de toegang tot het huis te ontzeggen. Lila en haar moeder kregen ook ouder-kindtherapie. Binnen een half jaar zat Lila weer op een normaal gewicht.’

In uw boek schrijft u dat veel van de kinderen die bij uw centrum met ADHD werden aangemeld waarschijnlijk last hadden van toxische stress. 

‘Ja, die kinderen voldeden niet aan de ADHD-criteria. Meestal werkte de ADHD-medicatie ook niet. We weten inmiddels dat veel gedrags- en leerproblemen direct in verband staan met toxische stress. Bij kinderen met meerdere ACE’s geven we daarom meestal geen stimulerende middelen zoals Ritalin, maar niet-stimulerende middelen die de impulsiviteit verminderen en de concentratie verbeteren. Sommige kinderen krijgen gedragstherapie. Verder is het recept: mindfulness, goed eten, voldoende slapen, lichaamsbeweging, liefdevolle zorg. Al die dingen kunnen toxische stress bestrijden. Dat geldt voor alle kinderen met een ontregeld stresssysteem.’

U stelt dat iedere kinderarts patiënten zou moeten screenen op ACE’s. Is dat niet stigmatiserend? Niet bij alle kinderen leiden ACE’s immers tot gezondheidsproblemen. 

‘Ik begrijp die zorg, maar ik word er ook boos om. Niets doen zou onethisch zijn: moeten we als artsen onze oren en ogen dichtstoppen nu we weten hoe desastreus de gevolgen van toxische stress kunnen zijn? We moeten de moed hebben om dit probleem onder ogen te zien. Verder denk ik dat screening juist kan bijdragen aan het bestrijden van vooroordelen. De test voor hiv werd in het begin ook als stigmatiserend beschouwd. Hiv-positieven werden behandeld als melaatsen. Maar die test maakte het wel mogelijk om een adequaat medicijn tegen aids te ontwikkelen.’

Sinds begin dit jaar bent u de hoogste gezondheidsadviseur van de staat Californië. Wat gaat u doen om die ACE-screening in te voeren?

‘Op 1 januari start een programma waarbij honderdduizend dokters in Californië een vergoeding krijgen om kinderen en volwassenen te screenen. Met elkaar hebben zij dertien miljoen patiënten, een derde van de bevolking van Californië. Ik hoop dat de ervaringen die dit oplevert niet alleen de behandeling van patiënten met ACE’s verbeteren, maar ook de ontwikkeling van een medicijn tegen toxische stress dichterbij brengen. De overheid van Californië steekt miljoenen dollars in wetenschappelijk onderzoek naar zo’n medicijn. Ik ben ervan overtuigd dat het binnen enkele decennia voorhanden is.’

En in de tussentijd?

‘Iedere leerkracht, rechter, dokter, jeugdwerker en ouder moet ervan doordrongen worden dat jeugdtrauma’s een desastreus effect kunnen hebben op de gezondheid van kinderen en volwassenen. 

‘Je bent nooit te laat om in te grijpen, om een kind een veilig gevoel te geven’
John Doe

Het goede nieuws is dat volwassenen een buffer kunnen zijn om die nadelige gevolgen voor kinderen te beperken. Je bent nooit te laat om in te grijpen, om een kind te kalmeren en een veilig gevoel te geven.’ 

Is iedere ouder daartoe in staat? 

‘Ja, ouders hebben een soort biologisch talent om hun kinderen tot rust te brengen. Maar veel ouders van kinderen met ACE’s kampen zelf ook met traumatische jeugdervaringen. Dat kan hun talent ondermijnen. Laat je behandelen, zou ik hun willen toeschreeuwen. Zorg dat je goede hulp krijgt, zodat jij die buffer voor je kind kunt zijn die je zelf hebt gemist. En kijk om je heen: wie kan een steun voor jou en je kinderen zijn? Verder moeten ouders weten dat ze allereerst goed voor zichzelf moeten zorgen. Pas dan kunnen ze hun kind helpen.’

Hoe zorgt u voor zichzelf, zodat u een buffer voor uw vier zoons kunt zijn? 

‘Mijn man en ik weten van elkaar wat we nodig hebben om op te laden. Mijn man is gek op wielrennen. Elke keer als hij in zijn wielrenuitrusting beneden komt, zeg ik: "Oké schat, ga ervoor!" Ook al baal ik er soms van dat hij weer zo nodig moet fietsen. Andersom komt er ook nooit een onvertogen woord van hem als ik de deur uit ga voor een massage. Hij weet dat ik dat soms nodig heb om te ontspannen na een lange werkdag.’ 

U kreeg meer invloed als gezondheidsadviseur van de overheid. Maar mist u uw artsenpraktijk niet? 

‘Ik doe nu andere dingen die heel erg nodig zijn. Maar ik denk elke dag aan mijn praktijk in Bayview. Ik zoek een manier om zo snel mogelijk weer terug te kunnen. Want van al die patiëntjes met wie het steeds ietsje beter ging, kreeg ik veel energie.’

Hoe is het nu met Diego?

‘Hij is inmiddels 18, heeft een normaal postuur, zijn astma en eczeem zijn onder controle. Maar hij raakt nog steeds snel ontregeld en heeft regelmatig suïcidale perioden. We moeten kinderen als Diego blijven volgen om de ergste gezondheidsschade van ACE’s te beperken. Diego’s geschiedenis laat zien dat er geen simpele antwoorden zijn.’ 

Het boek van Nadine Burke Harris is in het Nederlands verschenen bij Uitgeverij Mens! (2019).

Nadine Burke Harris (1975) is kinderarts en oprichter van het centrum voor jeugdgezondheidszorg in Bayview, San Francisco. In februari 2019 werd ze aangesteld als general surgeon, de hoogste gezondheidsadviseur van de staat Californië. Ze woont in San Francisco met haar man en vier zoons. Haar TED Talk over de impact van negatieve jeugdervaringen op de gezondheid is meer dan drie miljoen keer bekeken. 

Wie heeft de zon uit jouw gezicht gehaald
Wie heeft het licht in jou gedoofd
Wie heeft je rooie wangen bleek gemaakt
Wie joeg dromen uit je hoofd
Wie brak jouw kleine hart
Kleurde je ogen zwart
(…)

Wie heeft jou net als ik
Te weinig lief gehad

Bij het prachtige lied Wie heeft de zon uit jouw gezicht gehaald van Herman van Veen voelen we allemaal: ja, dit gebeurt. Dit is ons werk: we zetten ons in voor kinderen en volwassenen bij wie de zon uit het gezicht is gehaald, het lachen is gesmoord, bij wie het kind in hen, dat altijd weer opstaat als het valt, is gedood. Hun draagkracht is overschreden en voortdurend geweld en onveiligheid zijn onderdeel van hun leven geworden, als slachtoffer in heden of verleden, als pleger in heden of verleden, of beide…


Dat de gevolgen levenslang kunnen zijn, realiseren we ons steeds beter. Maar ook dat die niet onvermijdelijk zijn. We weten steeds meer over de veerkracht van mishandelde en verwaarloosde kinderen  ̶  hun vermogen om terug te veren na ingrijpende gebeurtenissen. En in het verlengde van het lied van Herman van Veen gaat dat over de vraag: hoe is de zon weer gaan schijnen, hoe ben je weer gaan lachen, hoe stond je weer op? 

Niet ‘Hoe?’, maar ‘Wie?’

In interviews voor Augeo Magazine is die hoe-vraag aan een tiental inmiddels volwassen BN’ers met een verleden van kindermishandeling gesteld. Aan presentatrice Diana Matroos bijvoorbeeld, zij groeide op met een drugsverslaafde vader. Het bepaalde haar hele jeugd en leren op school mislukte daardoor. Niemand vroeg haar hoe dat kwam. Maar haar moeder en een onderbuurvrouw bleken een bron van steun. Bij haar moeder kon ze terecht met haar gevoelens, terwijl ze bij haar buurvrouw gewoon even luchtigheid kon ervaren. Achteraf bleek deze buurvrouw het financieel mogelijk te hebben gemaakt dat Diana balletlessen kon blijven volgen, haar grote uitlaatklep.

Bij de aardrijkskundeleraar thuis was er wel echte aandacht voor Funda 
John Doe

Op eenzelfde manier praat theatermaakster Funda Müjde over haar leraar aardrijkskunde. Haar vader werd depressief en onvoorspelbaar agressief nadat hij een ongeluk kreeg. Elke keer als ze thuiskwam uit school was ze op haar hoede en vol spanning over wat de stemming van de dag zou zijn. Zij noemt haar aardrijkskunde docent haar believer: bij hem thuis was er even echte aandacht voor haar en voelde ze zich gezien. 


Misdaadjournalist Bas van Hout noemt Zwarte Joop letterlijk zijn redding; een berucht randfiguur op de wallen die nooit een Verklaring Omtrent het Gedrag zou hebben gekregen in een mentorproject. Maar die wel Bas in zijn woonboot nam en hem dagelijks 25 gulden gaf, in ruil waarvoor Bas boodschappen moest doen, voor de honden en de auto’s zorgen, elke dag naar school gaan en sporten. En hij mocht niets illegaals doen, want dan ‘zou hij al mijn botten breken’, aldus Bas. 


Als je al deze verhalen leest valt op: op de vraag 'Hoe is de zon weer gaan schijnen?’ antwoorden zowel jongeren als volwassenen met een persoon. De vraag ‘Wíé heeft de zon weer doen schijnen?’ was misschien wel passender geweest. Dat wat kapotgaat in relaties tussen kinderen en volwassenen kan ook weer geheeld worden in relaties. 

Die ene leerkracht

In de interviews wordt vaker een leerkracht genoemd. Als een held, als iemand bij wie kinderen zich veilig voelden terwijl hun leefwereld zo onveilig was; iemand bij wie ze zich gezien, gehoord en gesteund voelden. Maar school wordt ook regelmatig genoemd als de plek waar kinderen steun hadden verwacht, maar die niet hebben ervaren, wat hun teleurstelling en gevoelens van onveiligheid bij volwassenen verdiepte. 


Diana Matroos vertelt bijvoorbeeld het onbegrijpelijk te vinden dat niemand op school vragen aan haar stelde, ondanks dalende prestaties, verzuim en teruggetrokken gedrag. En Bas van Hout verbaasde zich erover dat de juf wel op hoge poten naar de bakker ging omdat die de kinderen beschimmelde krentenbollen gaf, maar er verder geen werk van maakte. Alsof het eten van beschimmelde krentenbollen het ergste was wat hem en zijn zus overkwam.


Hulpverleners komen in de verhalen over ondervonden steun niet, of slechts in de zijlijn voor. Regelmatig omdat er nooit hulp is gekomen: we weten inmiddels uit onderzoek dat de meeste bij Veilig Thuis gemelde kinderen geen hulp krijgen voor hun eigen problemen. Soms komen hulpverleners niet in de verhalen voor doordat de hulp pas heel laat in gang werd gezet, doordat die heel kort was of doordat hulpverleners weinig met de kinderen praatten en meer met de ouders. Als hulpverleners zijn we in het herstelproces van kinderen slechts voorbijgangers. 

Geestelijk gezonder

Uit wetenschappelijk onderzoek naar veerkracht komt de rol van sociale steun en steunfiguren vaak prominent naar voren. Bijvoorbeeld uit een Canadees onderzoek, waarin meer dan tienduizend jongeren zijn gevraagd naar hun ervaringen met mishandeling en hun bronnen van steun, blijkt dat de mishandelde kinderen zich minder vaak gesteund voelden  ̶  thuis, op school en in hun buurt  ̶  dan niet mishandelde kinderen. Bovendien blijkt dat de mishandelde kinderen die thuis of op school wel steun ervoeren, geestelijk gezonder waren dan de mishandelde kinderen die geen steun ervoeren. Onafhankelijk van de soort kindermishandeling bleek steun van de ouders, gevolgd door positieve ervaringen op school en met docenten, een positief effect te hebben op de geestelijke gezondheid van mishandelde kinderen. 


Vaak zijn het de kleine gebaren waardoor kinderen zich gezien, gehoord en gesteund voelen en die een onuitwisbare herinnering achterlaten en grote impact hebben in het herstel van vertrouwen in volwassenen. 

Persoonlijke kracht

Uit het eerder genoemde Canadese onderzoek komen ook een aantal persoonsgebonden factoren die eraan bijdroegen dat het met sommige mishandelde kinderen beter ging. Regelmatig sporten, juist ook in de winter, bijvoorbeeld. En de jongeren met wie het beter ging blijken positieve copingtechnieken te gebruiken: ze vinden dat het hun lukt kalm te blijven bij stress en problemen te analyseren. Hun zelfbeeld is positiever ondanks de destructieve invloed van de mishandelingservaringen op dat zelfbeeld. Ze zoeken advies, benutten humor, maken plannen en volgen die plannen ook. En als die plannen lukken, wijten ze dat niet aan toeval: ze geloven dat succes het gevolg is van hun eigen harde werken en dat hun plannen of plannetjes vaak lukken. Een positieve geloofsbeleving helpt ook. Bij elkaar vormt dit alles een soort ‘veerkracht-portfolio’, iets wat deels is aangeboren, maar wat kan uitgroeien en bloeien in een gezin, straat, wijk, sportclub, gemeente of school met een steunend klimaat. 


Ook uit verhalen van de ervaringsdeskundige BN’ers komt vaak naar voren dat zij het aan de combinatie van zichzelf en een steunfiguur te danken hebben dat ze zover gekomen zijn als ze zijn. Ze benadrukken hun geloof ‘dat hard werken loont’. En voelen zich geen slachtoffer. Of zoals Diana Matroos het verwoordt: ‘Mijn cadeau is dat ik als een sterk meisje ben geboren, een meisje dat andere keuzes wist te maken dan haar vader.’ Dat, in combinatie met dansen als uitlaatklep. 

Dankzij zijn copingstrategie heeft Bas van Hout het gered 
John Doe

Funda Müjde voelt geen pijn of bitterheid als ze terugkijkt op haar jeugd: ‘Ik zie dat het soms moeilijk was, maar er waren ook veel leuke dingen en mensen die van me hielden. Ik kies ervoor daarop te focussen.’ En Bas van Hout realiseert zich dat zijn manier van omgaan met hun thuissituatie hem gered heeft: ‘Ik onderging het allemaal en vond er helemaal niets van. Echt niet. Door deze copingstrategie heb ik het gered. Mijn zus niet. Haar jeugd heeft haar geknakt. Op haar 11de ging ze bij de buren wonen, maar ze is nooit gelukkig geworden. Inmiddels is ze overleden.’

Verknipte hulp

Maar ook daarmee is het hele verhaal nog niet verteld. We weten ook klip en klaar uit het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut: als het geweld stopt en het beter gaat met ouders, gaat het beter met de kinderen. En daarvoor moet geweld niet een beetje stoppen, maar écht stoppen. We weten inmiddels ook: meer dan een derde van de kinderen heeft klinische vormen van traumatische stress en die kunnen we behandelen tegenwoordig, ook als het thuis nog onveilig is. Dus al ben je als hulpverlener in de beleving van een kind slechts een voorbijganger, je kunt een bewezen effectieve bijdrage leveren. 


Kortom, als we willen dat de zon weer gaat schijnen over de gezichten van mishandelde kinderen moeten we (1) zorgen dat geweld echt stopt, (2) passende hulp bieden voor hun traumaklachten, (3) steunende omgevingen creëren; het liefst binnen de familie en in elk geval op school en graag ook in de buurt , en (4) de individuele veerkracht van kinderen stimuleren, bijvoorbeeld met sport, ontspanningstechnieken, het versterken van hun zelfbeeld en hun manieren van oplossen en plannen maken.


In Nederland beleggen we die vier onderdelen het liefst bij vier of meer organisaties, die ook nog eens na elkaar aan de slag gaan. Veiligheid is voor Veilig Thuis, vervolgens traumaherstel voor de ggz, traumasensitief lesgeven daar gaan de scholen over, en veerkracht versterken kan de jeugdhulp of het wijkteam doen als er een indicatie is en wellicht loopt er toevallig ook een buurtsportcoach rond. En zo kan het gebeuren dat een hulpverlener in de crisisopvang met de beste bedoelingen aan een kind uitlegt dat zij niet met hem kan praten, daar zijn straks anderen voor. Maar een mishandeld kind heeft natuurlijk geen boodschap aan deze verknipte werkelijkheid. 

Onze taak is bijdragen aan sociale steun, individuele veerkracht en traumaherstel
John Doe

Zolang we over nog maar weinig effectieve interventies beschikken om gezinsgeweld blijvend te stoppen, zullen veel kinderen in gesignaleerde gezinnen opnieuw geweld meemaken, en wordt er nog een enorm appel gedaan op hun veerkracht. En dus is het van iedereen die bemoeienis heeft met hen een taak om bij te dragen aan sociale steun, individuele veerkracht en traumaherstel. Dat past nu niet altijd in de strakke protocollen van zorgmeldingen, triages, acute veiligheid realiseren, etc. etc. Maar daar zouden we wel naar moeten zoeken.

Ordinary magic

Om hun werk te kunnen doen, hebben professionals in de zorg en het welzijn zelf ook een steunende omgeving nodig. De voortdurende financiële onzekerheden en personele tekorten waar we mee te kampen hebben, de ongenuanceerde mediabeelden van organisaties en de soms onmogelijke caseloads die ketenpartners moeten dragen, helpen daar niet aan mee. Deze omstandigheden vragen om veerkracht bij de medewerkers.

De omstandigheden vragen ook om veerkracht bij professionals
John Doe

Is het wel gepast om een link te leggen tussen de veerkracht van mishandelde kinderen en de veerkracht van professionals met wie zij te maken krijgen? Een antwoord is te vinden in het eerder genoemde Canadees onderzoek: daaruit bleek dat de geestelijke gezondheid van alle kinderen die sociale steun ervoeren, beter was, of ze nu mishandeld waren of niet. Ook niet-mishandelde kinderen met een goed zelfbeeld en probleemoplossend vermogen, die geloofden in de kracht van eigen inspanningen en regelmatig sporten, voelden zich beter. Daarom wordt veerkracht ook wel ordinary magic genoemd: we verbazen ons dat het kan, bij zo veel tegenwind bloeien, en tegelijkertijd zijn het principes die voor ieder mens opgaan. 


Diana, Funda en Bas vonden steunfiguren die een verschil maakten en soms vonden die steunfiguren hen. Er was iemand die ze hielp de zon weer te laten schijnen, of, zoals Bas van Hout het zegt: ‘Door Joop ben ik gekomen waar ik nu ben. Door mijn eigen karakter, maar ook zeker dankzij hem heb ik het gered. Ik ben geen slachtoffer.’

De interviews met de geciteerde BN’ers zijn hier terug te lezen: 

Diana Matroos

‘Mijn vaders verslaving werd een deel van mij’

Funda Müjde

‘Ik voelde me miskend’

Bas van Hout

‘We waren gewend aan bedorven voedsel’

Dit artikel is een bewerking van de lezing die Mariëlle Dekker, directeur van Augeo Foundation, op 25 september 2019 hield ter gelegenheid van het vijfjarig jubileum van Veilig Thuis Gelderland-Midden en het afscheid van manager Miranda Hendriksen. 

Essay

Veerkracht laat mishandelde kinderen bloeien 

We weten steeds meer over het belang van veerkracht voor mishandelde en verwaarloosde kinderen. Betrouwbare volwassenen in de omgeving van een kind helpen het om die veerkracht te ontwikkelen – zo laat Augeo-directeur Mariëlle Dekker zien aan de hand van onderzoek en interviews met ervaringsdeskundige BN’ers. 

Auteur: Mariëlle Dekker 

Leestijd: 8 minuten

In de praktijk

‘Als leerkracht kun je absoluut het verschil maken’

Mishandeling of verwaarlozing thuis kan zorgen voor sociaal-emotionele problemen op school, zoals moeilijk of juist teruggetrokken gedrag. Wat kan een leerkracht daar aan doen? Anton Horeweg, zelf leerkracht maar ook auteur van De traumasenstieve school: ‘Zorg dat het kind zich gezien voelt.’

Auteur: Annette Wiesman

Leestijd: 7 minuten

Ooit had Anton Horeweg een jongen in zijn groep die altijd tekeningen maakte van pistolen en messen. Hij was niet alleen ontzettend druk, maar ook chaotisch en ongeconcentreerd. Uit gesprekken met zijn moeder bleek dat er thuis veel problemen waren. Zo zat de vader van de jongen in de gevangenis, en ook was er ‘s nachts een arrestatieteam bij het gezin binnengevallen. De school schakelde daarna Veilig Thuis in.


Kinderen die thuis geweld meemaken, verwaarloosd worden of misbruikt, kunnen allerlei emotionele en gedragsproblemen ontwikkelen. Hoewel de onderlinge verschillen groot zijn, zijn er ruwweg twee varianten: hyperactief, agressief of antisociaal gedrag – met potloden gooien, ruzie zoeken, schelden – en teruggetrokken en angstig gedrag. Dit soort gedrag kan leiden tot problemen in de omgang met leeftijdgenoten en leerkrachten. Wat kunnen leerkrachten doen om deze kinderen te helpen?

Overleven

‘Opgroeiende kinderen leren zichzelf onder controle te krijgen, grip te krijgen op hun relatie met andere kinderen en om te gaan met tegenslagen,’ zegt Anton Horeweg, leerkracht op de basisschool en auteur van De traumasensitieve school. ‘Als dat proces goed verloopt, verwerven ze de zogenaamde social and emotional learning-competenties.’ Deze SEL-competenties zijn zelfkennis, zelfregulatie, sociaal bewustzijn, relatiemanagement en verantwoorde keuzes kunnen maken. Een opgroeiend kind in een onveilige thuissituatie zal waarschijnlijk iets missen in die competenties, legt Horeweg uit. ‘Zo’n kind is vooral bezig met overleven. Wanneer er sprake is van huiselijk geweld, zijn ouders niet bezig met het aanleren van dit soort vaardigheden. Belangrijker nog: ze laten die vaardigheden vaak zelf niet zien. Terwijl we deze dingen juist moeten leren in interactie met onze ouders.’ Dat geldt ook voor zijn eigen voorbeeldgedrag op school. Als hij boze leerlingen leert dat ze rustig moeten blijven en hij staat vervolgens te schreeuwen, komt zijn praatje niet aan. ‘Dat is precies het beeld dat kinderen met slechte ervaringen meekrijgen.’

Window of tolerance

Voor leerkrachten is het goed om te weten dat kinderen die langdurig aan stress blootstaan door een onveilige situatie thuis, een andere breinontwikkeling doormaken. Horeweg beschrijft in zijn boek wat we weten uit neuropsychologisch onderzoek: er worden geen ‘breinpaden’ aangemaakt voor zelfbeheersing. Daardoor schiet een kind eerder uit zijn window of tolerance

Als een kind voortdurend last heeft van stress, komt het sneller terecht in een staat van hyperopwinding. Dat betekent dat het ook geschrokken reageert op situaties die alleen maar lijken op de situaties die zijn brein als gevaarlijk heeft gelabeld, legt de auteur uit. 

Bij voortdurende stress is er geen ruimte voor leren en concentratie
John Doe

Dat resulteert in de bekende vecht-, vlucht- of bevries-modus: schreeuwen, gooien met spullen, de klas uit rennen of geen contact willen maken. Ook is er in de hersenen geen ruimte meer voor leren en concentratie. Het gedrag dat deze kinderen vertonen wordt nogal eens aangezien voor ADHD of ODD. 


Kinderen die als gevolg van ingrijpende jeugdervaringen belemmerd zijn in hun sociaal-emotionele ontwikkeling, ondervinden daarvan de rest van hun leven de gevolgen. ‘Als je zo weinig zelfvertrouwen hebt dat je denkt dat je beter niet geboren had kunnen worden, kan dat leiden tot depressie en zelfmoordgedachten,’ zegt Horeweg. ‘Maar het kan ook leiden tot agressief gedrag en verslaving.’ 

Ongrijpbaar

Ondanks alle signalen kan het tricky zijn om kinderen met slechte jeugdervaringen in de klas te herkennen, geeft Horeweg toe. ‘Je kunt het gedrag op zich wel herkennen, maar trauma is ons vak niet. Bovendien kunnen boosheid en teruggetrokken gedrag ook heel andere oorzaken hebben. Dat maakt onveiligheid ook zo ongrijpbaar.’ 

Soms is van een kind al bekend wat er thuis aan de hand is en is de hulpverlening al in gang gezet, soms niet. Maar ook als er instanties als Veilig Thuis bij een gezin betrokken zijn, hoeft het probleem van het kind nog niet opgelost te zijn, benadrukt Horeweg. ‘Vaak ook heb je als leerkracht geen idee of een kind wel of niet veilig opgroeit en of er hulp is. Je ziet alleen: goh, hij wil niet leren, of: ze maakt ineens geen contact meer.’

‘Hoe gaat het?’

Daarom is het volgens hem in de eerste plaats nodig dat leerkrachten veel meer met kinderen praten. Toen Horeweg voor zijn boek jongeren interviewde die vroeger mishandeling meemaakten, kreeg hij te horen dat docenten zelden aan hen hadden gevraagd: hoe gaat het met je? ‘Hooguit kregen ze de vermaning te horen: doe eens normaal. Terwijl alleen al de vraag geholpen zou hebben, zeiden ze, vanwege het gevoel niet alleen te staan.’


‘Een leerling vragen hoe het ermee is, hoeft niet veel tijd te kosten’
John Doe

Hoe kunnen leerkrachten meer praten? ‘Vraag elke leerling regelmatig even hoe het ermee is. Dat hoeft niet veel tijd te kosten.’ Daarnaast is er een grotere alertheid nodig, vindt Horeweg. We weten uit onderzoek dat slechte jeugdervaringen veel vaker voorkomen dan wordt gedacht. ‘Mishandeling of verwaarlozing kan elke leerling overkomen, maar het is iets waar we het liefst onze ogen voor sluiten. Met een open blik kunnen dingen opvallen, zoals een kind dat de hele winter een korte broek aanheeft, of die verontrustende tekeningen van dat jongetje.’ 


Ook de interactie tussen klasgenoten kan helend zijn. ‘Ik probeer altijd een goede groep te vormen, waarbij de kinderen voor elkaar zorgen. Dat ze snappen dat als een ander verkeerd gedrag vertoont, je ook met diegene kunt praten in plaats van boos te worden. Als je een heel goede groep hebt, kunnen zij ontzettend veel steun geven.’ 

Traumasensitief lesgeven

Om rekening te houden met kinderen in de klas die slechte ervaringen hebben, werd in de VS tien jaar geleden traumasensitief onderwijs ontwikkeld. In deze benadering is een veilige klas de basis, waarin rekening wordt gehouden met kinderen die een slechte zelfregulatie hebben. De rol van de leerkracht is cruciaal: die moet niet veroordelen maar wel grenzen stellen, herhalen en geduld hebben.

‘Door structuur te bieden maak je de situatie voor een getraumatiseerd kind veiliger’
John Doe

‘Door structuur te bieden maak je de situatie voor een getraumatiseerd kind veiliger,’ zegt Horeweg. ‘Dat luistert heel nauw. In plaats van te zeggen: “Jongens, het is pauze”, zeg je: “Leg je boek weg, we gaan naar buiten en als we terugkomen gaan we hiermee verder.” Daarnaast moet een leerkracht kalm zijn, want boosheid is extreem onveilig. ‘Dan zit de leerling meteen in de vecht-, vlucht- of vluchtmodus.’

Gezien worden

Daarnaast probeert Horeweg in zijn klas ook in te zoomen op kinderen met opvallend gedrag. Kinderen die hyperactief zijn, verbaal agressief of brutaal zet Horeweg vaak dichtbij zijn tafel. ‘Als je nabijheid zoekt, komen ze tot rust en lukt het ze vaak om iets langer op te letten. Als je ze naar de gang stuurt, voelen ze zich extra afgewezen. Ik maak altijd duidelijk: jij bent oké, maar het gedrag dat je laat zien, is dat niet. We moeten beseffen dat gedrag ergens vandaan komt, niet meteen denken: het zal wel ADHD zijn, of: hij doet het erom. Nee, hij kan zichzelf niet reguleren en hij moet het nog leren.’ 

Op kinderen die teruggetrokken gedrag vertonen, moeten leerkrachten volgens hem net zo alert zijn. Hoewel ze meestal niet opvallen, kunnen zij net zoveel stress ervaren door de onveiligheid thuis als hun drukke tegenvoeters. Zoek ze daarom bewust op, zegt Horeweg. ‘Maak een praatje of geef ze een taak, al is het ’t recht leggen van de schriften. Wanneer ze liever in hun hoekje blijven zitten, hoef je ze er niet uit te sleuren. Het gaat erom dat ze weten: ik word gezien.’

‘Ik maak een leerling altijd duidelijk: jij bent oké, maar het gedrag dat je laat zien, is dat niet’
John Doe

Verschil maken

Kun je als leerkracht wel verschil maken, als de gevolgen van een slechte sociaal-emotionele ontwikkeling door kindermishandeling en verwaarlozing zó groot kunnen zijn? ‘Ja,’ zegt Horeweg overtuigd. ‘Wat ik van oud-leerlingen met slechte jeugdervaringen hoor, is dat dat verschil énorm kan zijn. Al is er maar één volwassene die laat zien dat jij belangrijk bent. Sommigen vertelden bijvoorbeeld dat ze gingen beseffen dat ze op de verkeerde weg zaten, en dat mijn aandacht toch wel iets voor ze betekende.’ Maar je moet veel geduld hebben en eindeloos herhalen. Anders red je het niet. En lang niet altijd zie je als leerkracht resultaat van je inspanningen. Horeweg: ‘Als het niet is gelukt om een kind te bereiken, is mijn basishouding altijd: heel vervelend, maar we gaan het morgen weer doen. Lukt het niet bij rekenen, dan misschien wel bij taal. Snel gaat het nooit.’

3 tips van Anton Horeweg

* Handle with Care 

Dit is een project waarbij politie, maatschappelijke opvang of het crisisinterventieteam na een incident van huiselijk geweld een signaal geeft aan de school, zodat die weet dat het kind mogelijk steun nodig heeft. Meer informatie over de thuissituatie wordt niet gegeven.


* Morning meetings

Traumasensitieve scholen in de VS hebben een ochtendritueel waarbij kinderen elkaar ‘s ochtends vragen hoe het ermee gaat. Horeweg: ‘Soms hebben kinderen het idee: ik ben de enige die het thuis moeilijk heeft, en in gesprekken horen ze dat dat niet zo is.’


* Uitleg gevoelens en gedachten

In een filmpje van Dan Siegel wordt voor kinderen uitgelegd hoe gedachten en gevoelens elkaar beïnvloeden. ‘Ik heb het aan mijn groep 7 laten zien. Ze leren bijvoorbeeld dat het heel begrijpelijk is dat als je iets verdrietigs meemaakt, je niet kunt leren.’

Anton Horeweg werkte altijd op basisscholen in ‘achterstandswijken’. Hij is daarnaast gedragsspecialist (M SEN) en zelfstandig trainer en schreef onder andere De traumasenstieve school (Lannoo Campus, 2018).  

Roos Koolen fotografie

Reportage

‘Kindermishandeling voorkomen begint al vóór de geboorte’

VoorZorg-verpleegkundige Lenneke Pleij bezocht de Ethiopische Titi (27) voor het eerst tijdens haar zwangerschap. Sindsdien komt ze er elke twee weken. Kindermishandeling is een van de belangrijke gespreksonderwerpen. ‘We willen laten zien dat kinderen ook een gelúkkige jeugd mogen hebben.’

Auteur: Mariëlle van Bussel / Fotografie: Rebke Klokke

Leestijd: 5,5 minuten

Lees verder

In haar werkkamer bij de Amsterdamse GGD stopt Lenneke Pleij snel een pak luiers in haar tas. Uit een archiefkast neemt ze een paar A-viertjes van de stapel ’14 maanden’. De kast is gevuld met papieren die netjes gerangschikt zijn op leeftijdsfase. Oplopend van ‘zwangerschap’ tot ‘2 jaar’. Voor elke fase een ander vel en een ander onderwerp. Vandaag zal Lenneke het met haar cliënt over ‘grenzen stellen’ gaan hebben.


Even later belt ze aan bij de crisisopvang van Stichting De Volksbond. Een groot, grijs complex waarin lange gangen naar een klein appartement leiden dat gedeeld wordt door drie jonge vrouwen met hun baby’s. Een van hen is Titi, een 27-jarige vrouw uit Ethiopië. Ze opent vrolijk de deur, haar dochtertje Elora dribbelt achter haar aan. Ze kan net lopen en wil dolgraag laten zien hoe dat moet.

‘Er is hier een paar dagen geleden geslagen,’ is het eerste wat Titi tegen Lenneke zegt. ‘Mijn buurvrouw had bezoek van haar ex en dat liep nogal uit de hand. Het gebeurde waar de kinderen bij waren.’ ‘Was je bang?’ vraagt Lenneke. Titi knikt. ‘Maar gelukkig is ze nu verhuisd,’ zegt ze opgelucht.

Vluchteling

Titi volgt sinds anderhalf jaar het VoorZorg-traject. Toen ze 23 weken zwanger was, werd ze aangemeld door Streetcornerwork, een hulpverleningsorganisatie voor kwetsbare jongeren die veelal dakloos zijn. Titi behoorde tot de groep ‘hoog risico’, wat wil zeggen dat er zorgen waren over de toekomstige ontwikkeling van haar kind: ‘Ze zwierf van hot naar her, was alleenstaand, had geen werk en had niemand in de buurt om op terug te vallen,’ vertelt Pleij. 

Haar voorgeschiedenis was ook een belangrijke reden voor de aanmelding. Als klein meisje voelde ze zich niet veilig in haar gezin, er was weinig liefde en veel onvoorspelbaarheid. Op haar 7de verloor ze beide ouders, haar oma nam de opvoeding over. 

Op haar 24ste raakte Titi  zwanger van ‘een vriend’
John Doe

Tijdens de oorlog met Eritrea vluchtte ze de grens over, ze woonde een paar jaar in Sudan en Libië en kwam uiteindelijk als bootvluchteling naar Europa. Nadat ze in verschillende asielzoekerscentra had gewoond, kwam ze vier jaar geleden in haar eentje naar Amsterdam. Waar ze een paar jaar later, op haar 24ste zwanger raakte van ‘een vriend’. Ondertussen woonde ze overal en nergens.

Sturen en beïnvloeden

‘Als je kindermishandeling wilt voorkomen, moet je al tijdens de zwangerschap beginnen met een interventie, ’ zegt Lenneke Pleij. ‘Vrouwen en hun eventuele partners zijn dan gevoelig voor gedragsverandering, je kunt de hechting tussen moeder en kind vergroten en je kunt allerlei stressfactoren wegnemen voordat de baby geboren wordt. Vrijwel alle programma’s starten pas op het moment dat er een hulpvraag is. Wij beginnen daarvoor.’


Dat is ook de reden waarom het beter is dat de vrouwen met wie VoorZorg werkt maximaal 28 weken zwanger zijn. Lenneke: ‘Vaak is er daarna al zo veel in gang gezet bij de zwangere dat het lastig is om nog aan gedragsverandering en vaste patronen te werken. Ze heeft zich dan meestal al een beeld gevormd van hoe haar leven eruit zal gaan zien na de geboorte van de baby. Tot die tijd kunnen wij het leven van de moeder en haar keuzes daarin nog sturen en beïnvloeden.’

Om dezelfde reden – mogelijkheden tot gedragsverandering – is het wenselijk dat de deelneemsters zwanger zijn van hun eerste kind. Ook mogen ze niet ouder zijn dan 25 (ook al is dit geen harde grens) en moeten ze ‘leerbaar’ zijn – en niet structureel begeleiding nodig hebben. 

De deelneemsters moeten zwanger zijn van hun eerste kind
John Doe

Lenneke: ‘ Het gaat vaak om jonge vrouwen die te maken hebben gehad met huiselijk geweld, seksueel misbruik, drugsverslaafde ouders of verwaarlozing. Ook vluchtelingen en vrouwen met een verstandelijke beperking zien we vaak. Soms zijn er partners in beeld, vaak niet.’


De VoorZorg-verpleegkundige besteedt dan ook veel aandacht aan voorlichting over mishandeling. Soms hebben vrouwen geen idee dat ze mishandeld zijn, omdat er niet geslagen werd. Dat de hele nacht aan tafel moeten blijven zitten om je bord leeg te eten óók mishandeling is, is dan een eyeopener. ‘We willen deze vrouwen laten zien hoe het anders kan, dat je ook leuke dingen kunt doen met je kind. Dat je samen kunt spelen, of een boekje kunt voorlezen. Kortom, dat kinderen een gelukkige jeugd mogen hebben.’

Gezonde leefstijl

Tijdens het traject groeit de VoorZorg-verpleegkundige als het ware mee met moeder en kind. Alle onderwerpen die in hun leven voorbijkomen, snijdt ze aan. Dat gaat verder dan zwanger zijn, bevallen en opvoeden. Een gezonde leefstijl loopt als een rode draad door het programma heen. Ook thema’s als het vergroten van het sociale netwerk, je huis schoonmaken, hoe op een goede manier ruzie te maken en sociale vaardigheden komen langs. ‘Deze meiden zijn vaak eenzaam en zitten vooral thuis. Het zijn geen moeders die op de rand van de zandbak een andere moeder aanspreken.’

Daarom beperken de huisbezoeken zich niet tot een gesprek op de bank, maar nemen de VoorZorg-verpleegkundigen de jonge moeders ook mee naar buiten. Naar de bibliotheek, de spelinloop of andere voorzieningen waarvan ze gebruik kunnen maken. Lenneke: ‘We hopen dat ze na afloop van VoorZorg zelf de weg weten te vinden. Zo wordt hun wereld groter. Ook verwijzen we ze naar de juiste plekken als het gaat om het zoeken van werk, een opleiding of een crèche.’

Grenzen stellen

Terwijl Titi en Lenneke op de bank praten, scharrelt Elora door de woonkamer. Ze ziet een pen liggen en stopt die in haar mond. Als Titi de pen wil pakken, begint het kind te schreeuwen. Met een brede lach op haar gezicht geeft Titi hem terug.


Voor Lenneke is dit een goed moment om over het stellen van grenzen te beginnen. Want Elora is nu bijna anderhalf jaar en krijgt een steeds sterker eigen willetje, vertelt ze Titi. En nu ze kan lopen, kan ze ook de bank en de tafel op klimmen. ‘Wat betekent dat?’ vraagt ze aan Titi. ‘Dat ik spullen moet wegzetten,’ antwoordt die. ‘En wat doe jij als Elora iets doet wat ze niet mag?’

Er volgt een gesprekje over hoe belangrijk het is om grenzen te stellen. Dat het niet zielig is voor het kind, zoals Titi denkt, maar dat ze er juist van leert. ‘Ze is niet stout of vervelend, maar ze weet nog niet wat wel en niet mag,’ legt Lenneke uit.

‘Elora wijst je niet af, ze wil gewoon haar zin krijgen,’ legt Lenneke uit
John Doe

‘Ik krijg altijd het gevoel dat ze mij zal verlaten als ik boos tegen haar doe,’ zegt Titi dan bedremmeld. ‘Je voelt je afgewezen,’ aldus Lenneke. ‘Dat snap ik, dat heeft ook met je eigen jeugd te maken. Maar Elora wijst je niet af als ze boos doet, ze wil gewoon haar zin krijgen.’

Huilen

Lenneke Pleij ziet vaak dat jonge moeders de signalen van hun baby’s verkeerd interpreteren. Met alle gevolgen van dien, tot hardhandig ingrijpen toe. ‘We hebben het regelmatig over huilen. Vaak lossen ze dat op door een speentje, een schermpje of eten te geven. Ik leg dan uit dat huilen de enige manier van communiceren is voor een baby en dat hij dus iets duidelijk wil maken. Dat is iets anders dan vervelend zijn.’

Ook de fase rond 9 maanden, waarin de kinderen meer aandacht gaan vragen, blijkt moeilijk. ‘Ze slapen niet meer de hele dag, maken rommel, knoeien met hun eten en hebben letterlijk en figuurlijk ruimte nodig. Dat hoort erbij, maar voor deze moeders is dat lastig. Als een kind niet luistert, wordt er weleens hardhandig ingegrepen. Als ik daarbij ben, heb ik het daar direct over. "Waarom vertoont je kind dit gedrag?", "Denk je dat hij het prettig vindt om aan zijn arm omhoog getrokken te worden?" We hebben het ook over de ontwikkelingsfasen, zodat moeders beter begrijpen waarom een kind doet zoals het doet. En zodat ze minder snel boos worden.’

Empoweren

Kindermishandeling en verwaarlozing worden dikwijls besproken door de VoorZorg-verpleegkundigen. ‘Juist omdat deze moeders vaak zelf slachtoffer zijn geweest en niet beter weten. Of uit een cultuur komen waar slaan normaal is. Een meisje uit Uganda vertelde me dat ze door iedereen geslagen werd, van de buschauffeur tot de winkelbediende. Ze vond het niet eens vreemd. Dan praten we over normen en waarden en hoe we het in Nederland doen.’

Vaak gaat Lenneke zelf op de grond zitten om te laten zien hoe je kunt reageren als een kind op een negatieve manier aandacht vraagt. Even spelen, knuffelen, zodat het kind weer verder kan. Ook het filmen van bepaalde situaties moet de moeders inzicht geven in hun eigen gedrag en vaardigheden. ‘Met video-hometraining laten we zien wat moeders goed doen en hoe positief hun kindje daarop reageert. Zo proberen we de moeders te empoweren.’

Leven op de rails

De resultaten van VoorZorg zijn positief, zo laat wetenschappelijk onderzoek zien. In de gezinnen die VoorZorg volgden is bijvoorbeeld minder sprake van partnergeweld, is het aantal Veilig Thuis-meldingen gedaald en is de levensstijl van de moeder verbeterd. Ze rookt minder tijdens de zwangerschap, ze geeft langer borstvoeding en besteedt meer aandacht aan een fijne leefomgeving.

‘De moeders krijgen vertrouwen in de hulpverlening en durven zelf om hulp te vragen’
John Doe

Lenneke Pleij: ‘In het algemeen kun je zeggen dat de vrouwen na het traject hun leven weer op de rails hebben. Ze wonen ergens, er is een toekomst met school of werk, schuldhulpverlening is in gang gezet en het kind zit vaak op de crèche. Ook hebben moeders vertrouwen in de hulpverlening en durven zelf om hulp te vragen. Dat is erg belangrijk! Door het bespreekbaar te maken ervaren ze het moederschap als minder zwaar, wat de kans op kindermishandeling weer verkleint.’

Eigen plekje

Voor Titi duurt het programma nog acht maanden. Ze heeft al veel stappen gezet, zegt Lenneke. ‘Titi wilde niemand tot last zijn en probeerde alles zelf op te lossen. Nu vraagt ze vaker om hulp. Ook heb ik haar hopelijk laten inzien dat het niet goed is voor Elora als ze altijd maar bij haar moeders vriendinnen slapen. Het kind heeft een eigen plekje nodig. Titi is leergierig en neemt veel van mij aan. Nu Elora de wereld gaat verkennen, moet Titi zich bewust worden van haar rol als opvoeder. Dat vindt ze moeilijk, maar ik sta aan haar zijde en samen praten we erover.’

Titi zelf is enthousiast over de begeleiding. ‘Ik kan alles met Lenneke bespreken en leer veel. Niet alleen over Elora, maar ook over bijvoorbeeld relaties en anticonceptie. Ik vraag haar ook hoe zij zelf dingen deed met haar kinderen. Ik heb een moeder gehad die niet goed was voor mij, dat wil ik mijn dochtertje niet aandoen. Als ik van Lenneke hoor dat ik het goed doe, voel ik me een stuk zekerder.’

Kindermishandeling voorkomen vanaf de zwangerschap

VoorZorg is een intensief huisbezoekprogramma voor aanstaande jonge, zeer kwetsbare moeders (en hun eventuele partners). Het is ontwikkeld in de Verenigde Staten, doorontwikkeld in Nederland en effectief bevonden (zie het proefschrift). 


Aanstaande moeders die met meerdere risicofactoren te maken hebben, worden doorverwezen door verloskundigen, (huis)artsen, het onderwijs of het maatschappelijk werk. Een speciaal opgeleide verpleegkundige van de jeugdgezondheidszorg bezoekt de moeder elke twee weken vanaf de zwangerschap tot de tweede verjaardag van het kind. Doel is om kindermishandeling te voorkomen en de gezondheid en ontwikkelingskansen van moeder en kind te bevorderen.


Tijdens de huisbezoeken werken de VoorZorg-verpleegkundigen met de moeders (en eventuele vaders) aan negen ontwikkelvelden: hechting en ouderschap; gezondheid van het kind en de ouder(s); ontwikkeling van het kind; levensloopontwikkeling van de moeder (en eventuele vader); veiligheid; financiën; communicatie; informele steun en netwerk, en het gebruik van gemeenschapsvoorzieningen.


VoorZorg is opgenomen in de richtlijn Kindermishandeling voor de jeugdhulp en diverse richtlijnen van de jeugdgezondheidszorg (o.a. opvoedondersteuning, signalering van psychosociale problemen, kindermishandeling) als een van de aanbevolen interventies voor veiligheid en herstel bij ouders met een verhoogd risico op kindermishandeling.


Er loopt momenteel een pilot ‘VoorZorg Verder’ waarin moeders met kinderen in de leeftijd van 2 tot 6 jaar worden ondersteund. Deze huisbezoeken vinden vier keer per jaar plaats.

Meer informatie: VoorZorg 

Brief aan...

‘Binnen een kwartier heb je mijn vertrouwen kapotgemaakt’ 

In deze rubriek vertelt een jongere over een lastige situatie in zijn of haar jeugd − en hoe professionals daar op reageerden. Deze keer: Mare (26) schrijft haar groepsbegeleider.

Auteur: Annemarie van Dijk

Leestijd: 2,5 minuten

Brief aan...

Mare (26) schrijft haar groepsbegeleider

Dag groepsbegeleider,

Je had met je poten van me af moeten blijven. Ik kon geen kant op in die isoleercel. Door de spuit met kalmerend medicijn die ik in mijn bil had gekregen, kon ik me nauwelijks bewegen en me dus niet verweren. Waarom maakte jij als hulpverlener zo’n misbruik van de situatie? Ik was afhankelijk van je. Weet je dat het jaren heeft geduurd voor ik weer een hulpverlener durfde te vertrouwen? Dat heb je allemaal in een kwartier tijd kapotgemaakt. 


Pas 15 was ik toen ik op jouw afdeling terechtkwam. Thuis werd ik mishandeld door mijn vader. Hij sloeg me regelmatig tegen de grond en liet me zelfs een keer bijna stikken. Dat durfde ik tegen niemand te zeggen. In plaats daarvan sneed ik mezelf en dronk ik regelmatig te veel alcohol. Toen ik ook suïcidaal werd, zorgde een psychiater ervoor dat ik een crisisopname in de ggz kreeg. Daar werkte jij als sociotherapeut. 

‘Ik voelde me daar veiliger dan bij mijn ouders’
John Doe

Na een week moest ik weer naar huis. Dat wilde ik niet, want ik voelde me daar veiliger dan bij mijn ouders. Dus liep ik weg. Na uren zoeken vond de politie me ‘s nachts en werd ik teruggebracht. Weer op mijn kamer flipte ik helemaal – ik wilde per se niet naar huis. Daarom bonkte ik met mijn hoofd tegen de muur en gooide ik spullen kapot. Er ging een bel af, waarop jij en verschillende andere medewerkers kwamen aanrennen. Met geweld drukten jullie me tegen de grond. Dat was traumatisch, het deed me denken aan de mishandeling door mijn vader. Terwijl ik me uit alle macht verzette, dwongen jullie me naar de isoleercel. Daar legden jullie me op mijn buik en trokken jullie al mijn kleren uit. Om me rustig te krijgen, gaven jullie me een spuit in mijn bil. Ook kreeg ik een anti-scheurjurk aan. Daarna was ik weer alleen. 


De spuit werkte bij mij niet lekker, merkte ik. Ik werd er niet alleen loom van, ook bewegen ging nauwelijks meer. Ineens kwam jij weer binnen. Zogenaamd om te checken of ik toch nog spullen bij me droeg. Je deed of je me fouilleerde en betastte me overal, ook mijn borsten en mijn vagina. Het was verschrikkelijk. Ik durfde en kon me niet verweren. 

‘Het was jouw woord tegen het mijne’
John Doe

Het had ook geen zin om je aan te geven, besefte ik. Niemand zou me geloven. Het was immers jouw woord tegen het mijne. Daarbij dachten jullie dat ik een persoonlijkheidsstoornis had (wat later trouwens een totaal verkeerde diagnose bleek te zijn, want die heb ik niet). Bovendien was er geen bewijs, want je had de camera van de isoleercel uitgezet. Ik kon dus nergens terecht met mijn verhaal. De dag erna moest ik alsnog naar huis.


Tot dat moment vertrouwde ik al bijna geen mens, maar hierna echt helemaal niemand meer. Toen ik kort daarop in therapie ging, kostte het de psycholoog een jaar om mijn vertrouwen te winnen  ̶  zó angstig was ik geworden. Wat jij hebt gedaan, heeft mijn behandeling enorm geschaad en vertraagd. Ik kwam in de jeugdzorg terecht, was daarna een tijdje dakloos en wist niet meer hoe ik verder moest. 


Een ernstige vorm van PTSS, bleek ik te hebben toen ik vorig jaar een intensieve behandeling kreeg bij het Psychotrauma Expertise Centrum. Sindsdien gaat het veel beter met me. Van de opleiding tot verpleegkundige die ik doe, word ik blij. Met mijn ouders heb ik soms weer contact. Mijn vader is veranderd, houdt zijn handen thuis. 


Wat jij me aandeed, speelt inmiddels een veel minder grote rol in mijn leven. Mocht jij vaker aan cliënten hebben gezeten, dan hoop ik dat je inmiddels bent gepakt. Want het gebeurt te vaak, misbruik op de afdeling. Het is niet voor niets strafbaar. Als je daar verblijft, bén je al zo kwetsbaar. Door zo’n aanranding ga je nog eens tien stappen verder achteruit. 


Groet,

Mare 

Mare heet in werkelijkheid anders.

Reactie van Ad de Jongh

Reactie van Ad de Jongh, bijzonder hoogleraar angst- en gedragsstoornissen 

‘Helaas gebeurt het nogal eens dat hulpverleners hun handen niet thuis kunnen houden. Zij staan er, ondanks hun opleiding, niet altijd bij stil dat ze het vertrouwen van hun cliënt enorm kunnen beschamen met grensoverschrijdend gedrag. De gevolgen van dit beschadigde vertrouwen kunnen heel lang doorwerken. Mare durfde vanwege schaamte niet over deze gebeurtenis te praten. En dat werkte weer door in de therapie waarbij ze haar therapeut niet direct kon vertrouwen en de therapie minder kans van slagen had.'


Vertrouwenspersoon

'Vermoed je dat een collega zich schuldig maakt aan grensoverschrijdend gedrag, bespreek dat dan eerst met die persoon en wees daar transparant over. Vertel wat je er hierover ter ore is gekomen en hoe je daarover denkt. Mocht er echt iets aan de hand zijn, meld dat dan aan de vertrouwenspersoon van de instelling of organisatie. Deze weet of er al eerder meldingen zijn gedaan of vermoedens zijn geuit en kan het verder overnemen.


Een vertrouwenspersoon heeft zwijgplicht, en kan achter de schermen uitzoeken of er vaker signalen zijn geweest en of het ernstig genoeg is om deze persoon voorlopig op non-actief te stellen.’ 


Praten lost zelden iets op

‘Goed dat Mare’s posttraumatische stressstoornis uiteindelijk toch is behandeld. Bij mensen met een ernstige traumageschiedenis en PTSS duurt het vaak te lang voor ze echt therapie krijgen. Veel behandelaars zijn bang om zo’n traumabehandelingstraject te starten, vooral als het om vroegkinderlijk trauma gaat. Er wordt daarom vaak langdurig met getraumatiseerde mensen gepraat, maar dat lost zelden iets op. Terwijl je met een goede, intensieve behandeling in korte tijd de gevolgen van een langdurige traumageschiedenis kunt laten behandelen.' 


PSYTREC

'Bij het Psychotrauma Expertise Centrum (PSYTREC) doen ze dat op een wetenschappelijke gefundeerde manier. Er wordt niet gepraat maar meteen begonnen met de behandeling van het trauma. Hiermee komt 70 tot 75 procent binnen acht dagen van de diagnose PTSS af. PSYTREC is bezig om ook zo’n traumabehandelingstraject voor de jeugd te starten, maar dat is lastig omdat de zorg nog verdeeld is over de gemeenten en niet centraal geregeld.’

De Jongh is gz-psycholoog en als bijzonder hoogleraar angst- en gedragsstoornissen verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en Vrije Universiteit.

Interview

‘Het leven van slachtoffers staat bol van de trauma-triggers’

De Belgische kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens heeft een lange staat van dienst als het gaat om de behandeling van slachtoffers van kindermishandeling en verwaarlozing. Wat doet zo’n trauma precies met de psyche? En hoe voorkom je volgens hem intergenerationele overdracht?  

Auteur: Ellen de Ruiter 

Leestijd: 6 minuten

Welke psychische effecten hebben kindermishandeling- en verwaarlozing precies op een kind?

‘Het laat sporen na in de hersenen én in het genetisch materiaal. Er worden drie belangrijke gebieden aangetast. Het eerste is de stressregulatie  ̶  dus het niet op een gezonde manier kunnen omgaan met stress; het tweede het vermogen om te hechten  ̶  je goed voelen in relaties met anderen; en tot slot de eigenwaarde   ̶   voel je je een waardig persoon in je eigen lijf? In de praktijk betekent dit dat een kind kwetsbaar is voor bijvoorbeeld pesters en in elkaar duikt als zij het hoogste woord voeren, of dat het zich juist ongewoon stoer gedraagt en snel uit de bocht vliegt; het vlucht- of vechtgedrag. Anderen tonen vooral moeilijkheden om vrienden te maken en te houden. Ze voelen zich ongewenst en breken contacten af om te voorkomen dat iemand anders laat weten dat ze geen fijn gezelschap zouden zijn. Daarnaast is het wegzakken van schoolresultaten een grote zorg. Getraumatiseerde kinderen presteren minder doordat de toegang tot het geheugen is verstoord.’

Deze sporen hebben natuurlijk ook gevolgen op de lange termijn…

‘Ja, de impact kan enorm zijn. We zien dat een kwart van de mensen die in de kindertijd ingrijpende ervaringen heeft meegemaakt, hiervan nog altijd ernstige problemen ondervindt in de volwassenheid. Zie het trauma als een giftige stressbron die zich in je lichaam en geest heeft vastgezet en zodoende je hele wezen aantast. Bijvoorbeeld je geheugen, je concentratievermogen en het vermogen om jezelf onder controle te houden.

En omdat kindermishandeling altijd te maken heeft met een ander mens  ̶   degene die jou gemene dingen heeft aangedaan  ̶   is ook een veilige hechting tenietgedaan; je vaardigheden om met anderen om te gaan en je goed te voelen bij anderen. Je maakt bovendien sneller fouten als het gaat om het inschatten van veilige en onveilige situaties. 

‘We begrijpen steeds beter waar het ernstige lijden van slachtoffers vandaan komt’
John Doe

We ontdekken door onderzoek steeds meer domeinen waarop traumatische ervaringen in de kindertijd impact hebben en wat dat met iemand kan doen in het volwassen leven. We begrijpen steeds beter waar het ernstige lijden van slachtoffers vandaan komt. Door de complexiteit van traumatische ervaringen te begrijpen, kunnen we behandelen met aandacht voor de sporen ervan. Toch blijven nog altijd veel slachtoffers hun leven lang moeilijkheden houden.’  

Hoe kan dat?

‘Binnen de spreekkamer van de psychiater of de psycholoog komt het gevaar van traumasporen niet gauw aan bod. Ja, het gaat over het verleden van iemand, over de herinneringen, maar het gaat nog te weinig over de realiteit van het dagelijks leven. En dat is nu juist waar een grote groep slachtoffers mee worstelt. Hé, ik moet op mijn werk een teamplayer zijn, maar bij mij loopt het altijd mis in een team; hoe kan dat? Of: ik heb continu het gevoel dat mijn manager me de les leest en dat roept heel giftige reacties bij me op  ̶ waarom? We zien ook volwassenen die voortdurend met hun tienerkinderen in oorlog zijn, omdat die kinderen zich op de een of andere manier niet door hun ouder laten aansporen. Waar komt dat toch vandaan? In de spreekkamer van de behandelaar moet het méér over deze dagelijkse praktijk gaan.’  

Er moet dus vaker een link worden gelegd tussen het trauma en het dagelijks leven van nu?

‘Precies. Want dat dagelijks leven staat bol van de triggers; een collega die steeds je schouder aanraakt als hij met je praat, een stemgeluid dat doet denken aan vroeger… Er zijn zo veel momenten te bedenken dat je in contact komt met je trauma, terwijl je daar vaak geen besef van hebt.’ 

Wat kunnen we nog meer doen om mensen met traumasporen te helpen?

‘We kunnen werken aan de link tussen de “gevoelszones” en de “wijze zones” in de hersenen. De gevoelszones reageren op triggers  ̶  die moeten tot rust worden gebracht door de wijze zones. Het wijze denken moet tijdens een triggermoment kunnen zeggen: je bent nu op je werk, niet in de slaapkamer van je jeugd. 


En voor volwassenen die in hun kindertijd getraumatiseerd zijn geraakt, werkt traumatherapie zoals EMDR, goed. Ook lotgenotengroepen bieden soelaas. Daar gaan de verhalen al heel snel over de ongemakken in het dagelijks leven.’

In de jeugdzorg hebben we vaak te maken met kinderen die nog midden in het trauma zitten…

‘Dan geldt in principe: het trauma moet eerst stoppen. Er moet gewerkt worden aan een veilige situatie in het hier en nu. Het kind moet in het meest ideale geval bevrijd zijn van de omgeving waar het trauma zich voordeed vóór je er therapeutisch mee kunt werken. 


Maar je kunt het acute lijden wel verminderen als de omstandigheden nog niet gunstig zijn, dus als het thuis nog niet helemaal veilig is. Ik leg mijn cliënten uit dat ik weet dat het thuis nog onveilig is, maar dat we hier, in deze spreekkamer, samen aan de slag zijn om de droom van een eigen leven op te bouwen. Samen met de jongere of het kind werken aan een veiliger omgeving werkt al helend, net als over het trauma mogen praten.

‘Iedereen kan een kind zelfvertrouwen en een gevoel van eigenwaarde geven’
John Doe

Niet ieder slachtoffer praat met een therapeut. Met de term hulpverlener hebben we het over een breed spectrum van mensen. We hebben allen een hand die we kunnen uitsteken; leerkrachten worden vaak in vertrouwen genomen, maar ook de buurvrouw, de huisarts, de moeder van een vriendje. Iedereen kan een kind zelfvertrouwen en een gevoel van eigenwaarde geven, steunen in diens verhaal, het gesprek in beweging houden en bekijken of hij anderen kan inschakelen die hierin extra ervaren zijn.’ 

In hoeverre werkt een kindtrauma bij de ouder door in de opvoeding van zijn of haar kinderen?

‘Het trauma van de ouders heeft eigenlijk altijd invloed op hun manier van opvoeden. Deze ouders zijn bijvoorbeeld vaker overbezorgd over hun kind, of ze geven hun eigen trauma ongewild door. Het risico op een negatieve beïnvloeding is vooral groot wanneer ouders niet bewust aan de slag zijn gegaan met hun ervaringen uit het verleden. Laat een ouder het trauma voor wat het is, dan brengt die als het ware een spook het gezin binnen. En heeft hij dan bijvoorbeeld een kind dat niet wil luisteren of hem uitscheldt, dan triggert dat iets.

Hij voelt in zijn lichaam iets terugkomen en zo ontstaat er risico op geweld. Ouders die daarentegen goede hulp hebben gehad, kunnen op zo’n moment het verband leggen met hun trauma. De “wijze zone” brengt de “gevoelszone” tot rust. Goed in contact staan met je verleden biedt bescherming voor de toekomst.’ 

‘Goed in contact staan met het verleden, beschermt ouders voor de toekomst’ 
John Doe

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat zowel ouders als kinderen eerder zelf hulp vragen?

‘Iedere ouder zou zijn of haar kind van jongs af aan moeten vertellen: als je ooit iets overkomt, vertel het me  ̶  ik sta aan jouw kant. Kinderen moeten weten dat ze bij iemand terechtkunnen, ook al gaat het over de eigen vader, moeder of opa. Zes op de tien jongeren doen geen beroep op een volwassene als ze iets naars overkomt; daar hebben we écht nog winst te behalen. 

‘6 op de 10 jongeren doen geen beroep op een volwassene’
John Doe

Daarnaast hebben we permanente publiekscampagnes nodig over het signaleren van kindermishandeling en het verwijzen naar hulp. Eenmalige campagnes of uitzendingen zijn niet voldoende, want als je op dat moment niet te maken hebt met geweld, ben je niet vatbaar voor de boodschap. Pas op het moment dat je zelf slachtoffer bent, of iemand in je omgeving dat is, ben je gevoelig voor die informatie. Op zo’n moment moet die gemakkelijk voorhanden zijn. 


In Engeland doen ze het heel goed, daar hebben ze continu aandacht voor het thema. Je ziet de boodschap overal: op straat, in de metro… Overdreven? Nee, we moeten realistisch zijn; huiselijk geweld is nu eenmaal een onderdeel van ons bestaan. Het kan bovendien iedereen treffen. Dat verandert nooit.’ 

Professor dr. Peter Adriaenssens is kinder- en jeugdpsychiater, was directeur van het Vertrouwenscentrum kindermishandeling Vlaams-Brabant en hoofddocent Kinder- en jeugdpsychiatrie aan de KU Leuven. Sinds oktober 2019 is hij met emiraat. Adriaenssens schreef verschillende boeken over jongeren en opvoeding. 

Foto: Rebke Klokke

Marjon Donkers is zelfstandig adviseur kinderrechten, jeugdbeleid en preventie kindermishandeling. Ze dook in diverse wetenschappelijke studies en literatuur over ouders die zelf als kind mishandeld of verwaarloosd zijn. Deze zeven factoren blijken (aanstaande) ouders te beschermen tegen intergenerationele overdracht:

Factor 1: een stabiele, betrouwbare partner kiezen 

We weten uit onderzoek dat adolescenten en volwassenen met ingrijpende jeugdervaringen geneigd zijn te kiezen voor een partner met een soortgelijke achtergrond. Herkenning, erkenning en het vinden van troost bij iemand die weet hoe het is: dit alles is een logische basis voor relatievorming. Een stabiele en betrouwbare partner kiezen is voor mensen met een mishandelingsverleden dus zeker niet eenvoudig. Maar diverse onderzoeken laten zien dat zij er met een harmonieuze relatie met een stabiele partner zonder zo’n verleden vaker in slagen om het patroon van geweld of verwaarlozing te doorbreken. 


Een belangrijke verklaring hiervoor komt uit de gehechtheidstheorie. Die stelt dat je in je vroege jeugd op basis van het contact met je ouders een soort blueprint ontwikkelt voor hoe intermenselijke relaties eruit horen te zien. Deze blueprint hanteer je vervolgens bij het aangaan van andere affectieve relaties in je leven. Wanneer je als kind geen veilige gehechtheid hebt gekend in het contact met je ouders of verzorgers blijkt het moeilijk om later in je leven veilige en gezonde relaties met anderen aan te gaan. Ook met je eigen kinderen. 


Maar gelukkig kan zo’n op onveiligheid gestoelde blueprint wel ten goede veranderen als iemand een stabiele, liefdevolle, ondersteunende partner heeft. Daardoor wordt het vermogen tot veilige hechting en positieve relaties, ook met de kinderen, vergroot.

Factor 2: de eigen traumatische jeugdervaringen verwerken

‘We zijn niet zozeer veroordeeld tot het onbeperkt herhalen, maar we zijn veroordeeld om dát te herhalen wat we ons niet kunnen herinneren,’ zo vatten de onderzoekers Main en Goldwyn (1984) overdracht van geweld en mishandeling samen. Voor een ouder die als kind een slechte start had, is het dus belangrijk voor de relatie met het kind dat hij of zij heeft leren omgaan met pijnlijke herinneringen en negatieve gevoelens over de eigen jeugd, bijvoorbeeld met therapie of (trauma)behandeling. 


Uit onderzoek weten we namelijk dat ouders die een patroon van kindermishandeling niet herhalen – méér dan ouders die dat wel doen – onder ogen zien wat hun zelf als kind is overkomen en zij hebben het op enigerlei wijze verwerkt. Deze ouders weten zich meer van vroeger te herinneren, staan meer open voor hun gevoelens over hun jeugd, onderkennen zowel wat er goed, als wat er fout was aan de eigen ouders en eigen kindertijd, en ontwikkelen meer oog voor de conflicten en spanningen die inherent zijn aan ouderschap en opvoeding. 


Ouders die de oude pijn verwerkt hebben, blijken met meer empathie en inleving te reageren op de behoeften van hun eigen kinderen. Andersom geldt ook dat ouders die hun kinderen tekortdoen en die hulp krijgen bij het onder ogen zien van de pijn daarvan bij het kind, vaak meer openstaan voor de eigen nare jeugdervaringen. Dat helpt bij weer bij het verwerken ervan. 

Factor 3: een loyaal en steunend sociaal netwerk hebben

Ouders die een intergenerationeel patroon van geweld of mishandeling weten te doorbreken, blijken meer en bevredigender sociale contacten te hebben dan ouders die dat niet lukt. Dit zegt wellicht ook iets over wat deze ouders zelf aan steun hebben ervaren in hun jeugd. Immers: mishandelde kinderen die in hun jeugd iemand hadden – vaak buiten het eigen gezin – die aardig voor hen was, een persoon die hen vertrouwen en steun gaf (denk aan een opa/oma, een juf/meester of de ouders van een vriendje/vriendinnetje), blijken veelal over meer mentale veerkracht te beschikken, en minder last te hebben van schadelijke gevolgen op de lange termijn. 


Uiteraard is het ontvangen van hulp en steun uit je sociale omgeving belangrijk voor iedere ouder. Het is een belangrijke ‘buffer’ die beschermt tegen overbelasting. Maar voor ouders met ingrijpende jeugdervaringen is steun zo mogelijk nog belangrijker. Het helpt ze om bij stress en gevoelens van onmacht te kunnen rekenen op een helpende hand vanuit de omgeving. Niet alleen voor praktische zaken, maar ook op emotioneel gebied.


Emotionele steun betekent dat de ouder zich ook als ouder gezien en gehoord voelt en in staat wordt gesteld om ‘goede ouder’-ervaringen op te doen: de ouder ervaart dat hij of zij er werkelijk toe doet voor het kind. Zo bouwt hij of zij zelfvertrouwen op in het ouderschap.

Factor 4: reële en gepaste verwachtingen koesteren 

Ouders die reële verwachtingen koesteren van het ouderschap en van hun kinderen, zullen minder gauw teleurgesteld of gefrustreerd raken en meer voldoening en plezier beleven aan het ouderschap. Dit geldt voor alle ouders, maar zij die zelf als kind mishandeld of verwaarloosd zijn, koesteren vaak overspannen verwachtingen. Meer of minder bewust verlangen zij dat het ouderschap hun iets brengt wat zij zelf als kind niet gekregen hebben. Ook willen ouders vaak koste wat kost voorkomen dat ze hun kind aandoen wat ze zelf hebben meegemaakt. Deze intenties en verwachtingen kunnen echter leiden tot gevoelens van teleurstelling wanneer het grootbrengen van een kind in de praktijk niet meevalt. En dit kan weer van negatieve invloed zijn op de relatie tussen ouders en kind. 

Iedere (aanstaande) ouder zou zich moeten verdiepen in het ontwikkelingsverloop van een kind
John Doe

Naast verwachtingen over ouderschap, kunnen de verwachtingen omtrent het kind irreëel of ongepast zijn. Irreële verwachtingen gaan over wat een kind van een bepaalde leeftijd (aan)kan. Bij onvoldoende kennis over zijn ontwikkeling, kan de ouder zijn kind overschatten of juist onderschatten. Dit geldt overigens ook voor alle ouders, niet alleen voor hen met een mishandelingsverleden. Het is voor iedere (aanstaande) ouder van belang om zich te verdiepen in het ontwikkelingsverloop van een kind. 


Ongepaste verwachtingen gaan over wat een kind de ouder zal brengen. Uit onderzoek en uit de praktijk blijkt dat ouders die zelf als kind mishandeld of verwaarloosd zijn vaker ongepaste verwachtingen hebben. Dat is wel verklaarbaar. De behoefte aan liefde, waardering en erkenning is bij deze ouders vaak groot. Dit kan ertoe leiden dat zij die van het eigen kind hopen te krijgen. Deze ongepaste verwachtingen kunnen het kind overbelasten: het kan niet aan die eisen voldoen. De eisen worden vaak niet uitgesproken, maar leggen wel een druk op het kind om te voldoen aan de behoeften van de ouder. 

Ze denken vaak dat hun kinderen niet van hen houden, voelen zich miskend 
John Doe

Opvallend is dat ouders die hun kinderen mishandelen of verwaarlozen eerder geneigd zijn om het gedrag van hun kinderen als negatief en lastig te ervaren. Ook als dat gedrag objectief gezien niet zo gekenmerkt kan worden. Ze denken vaak dat hun kinderen niet van hen houden, voelen zich (als ouder) miskend en dichten hun kinderen soms negatieve intenties toe die ze niet hebben. Kortom: mishandelende ouders hebben relatief vaak een negatieve interpretatie van het gedrag van hun kinderen. Zij voelen daarover ergernis en beleven minder plezier aan het contact met het kind. 


Ergernis is vaak het resultaat van een gebrek aan zelfvertrouwen, van zich niet competent en gewaardeerd voelen en van het toedichten van kwade bedoelingen aan het kind. De verklaring hiervoor is dat de beleving van het kind door de ouders ook weer sterk samenhangt met de mate waarin de verwachtingen uitkomen. Onderzoek laat zien dat mishandelende of verwaarlozende ouders vaker het gevoel hebben dat het kind of het ouderschap tegenvalt  – wat logisch is gezien de hoge verwachtingen die ze koesteren.


Voor ouders die zelf als kind liefde, aandacht en erkenning tekort zijn gekomen is het van belang dat zij deze onvervulde verlangens niet projecteren op hun eigen kinderen. Dit vergt reflectie op de eigen jeugd en de onderkenning van eigen gemiste ervaringen en onvervulde behoeften. 


Professionals kunnen aandacht besteden aan de beleving van de ouder van het eigen ouderschap en aan het (gedrag van het) kind, aan de verwachtingen die daar een rol in spelen, evenals aan de belevingen en (on)vervulde behoeften en verlangens van de ouder toen hij of zij zelf kind was. Dit helpt om de doorwerking van onuitgesproken, ‘ongepaste’ verwachtingen, de blinde vlekken voor eigen oude emoties en voor negatieve belevingen van het kind tegen te gaan. 

Factor 5: goede keuzes maken 

Ouders die zelf als kind veel nare ervaringen meemaakten hebben een minder grote kans om dit door te geven aan hun eigen kinderen als zij op cruciale momenten in hun leven de juiste keuzes maken. Dit blijkt uit onderzoek waarbij twee groepen ouders met elkaar vergeleken werden: zij die wel en zij die niet in staat waren gebleken om de cirkel van geweld en verwaarlozing te doorbreken.

Ouders die er wel toe in staat waren, hadden op belangrijke momenten keuzes gemaakt waardoor ze zich wisten te onttrekken aan een leven dat hun als het ware leek te overkomen in een aaneenschakeling van negatieve ervaringen. Het ging daarbij over bijvoorbeeld de keuze voor een opleiding, een baan en voor een partner. De ouders kozen ervoor om hun eigen leven vorm te geven, min of meer tegen de verdrukking van een slechte start in. 


Uiteraard vergt dit vermogen tot het maken van ‘goede keuzes’ een bepaalde mate van veerkracht en wellicht ook de aanwezigheid van een aantal andere van de hier genoemde beschermende factoren, zoals de beschikbaarheid van een steunend netwerk. Ook intelligentie en copingstijl zijn van invloed. En hulp van een mentor, coach of een andere vertrouwensfiguur kan dit soort positieve keuzes stimuleren.

Factor 6: kunnen omgaan met stress en tegenvallers

Helaas is een van de negatieve langetermijngevolgen van kindermishandeling dat slachtoffers vaak last hebben van een permanent ontregeld stresssysteem. Bij de minste of geringste spanning kan iemand doorslaan naar een survivalstand (vecht! vlucht! bevries!). Een ouder die zo reageert op stress en negatieve prikkels heeft bijvoorbeeld ‘een kort lontje’ (vecht) of loopt weg (vlucht) of onderdrukt zijn woede of pijn (bevriest). 


Met psycho-educatie kan ouders geleerd worden hoe hun ontregelde stresssysteem werkt en indien nodig kan therapie en hulp aangeboden worden voor traumaverwerking en stressregulatie. Zo voorkom je dat een ontregeld stresssysteem bij de ouder resulteert in geweld tegen, of verwaarlozing van, de kinderen. Ook uit onderzoek onder ouders die al dan niet geweld of verwaarlozing overdragen op hun eigen kinderen blijkt dat kunnen omgaan met stress een belangrijke beschermende factor is. 


En natuurlijk is ook hier de copingstijl – de wijze waarop iemand met problemen omgaat – van belang. Die is wel enigszins te beïnvloeden. Bijvoorbeeld met bewustmaking van de manier waarop iemand ‘van nature’ reageert op problemen of negatieve situaties, zoals tegenvallers, kritiek, nare omstandigheden en conflicten. Een hulpverlener kan de ouder helpen bij het ontwikkelen van een meer effectieve copingstijl en als het ware de overlevingstactiek die de ouder zelf als kind heeft ontwikkeld overschrijven. 

Factor 7: geluk hebben

Op sommige factoren die de overdracht van geweld en verwaarlozing beïnvloeden hebben we nauwelijks invloed. Ze zijn aangeboren of genetisch van aard. Het gaat bijvoorbeeld om de fysieke en mentale reactie op prikkels. Maar ook om intelligentie. 


Intelligentie is geen beschermende factor an sich, maar de bescherming is een gevolg van het volgende: als kind haal je met intelligentie meer waardering en aandacht naar je toe, vervolgens biedt het de mogelijkheid voor een betere en meer gewaardeerde opleiding met in het verlengde daarvan een grotere kans op meer gewaardeerd en beter betaald werk. Dus intelligentie is behulpzaam bij het creëren van positieve kansen, het aanboren van hulpbronnen en het vergroten van mogelijkheden. Kortom: een beetje genetisch geluk hebben, helpt bij het doorbreken van de cirkel van geweld en verwaarlozing.

Bronnen

L. R.A. Alink, C. Cyr, S. Madigan, The effect of maltreatment experiences on maltreating and dysfunctional parenting. A search for mechanisms, Development and Psychopathology 31, Cambridge University Press, 2019 

H.E.M. Baartman, Als mishandelde kinderen ouder worden, Tijdschrift voor Orthopedagogiek 35, 1996 / 

.E.M. Baartman, Kafka’s brief aan zijn vader. Over het opgroeien als verworpen kind, Geweld in relaties; overwegingen en ervaringen, Ambo/Baarn, 1991

N. Burke Harris, The deepest well. Healing the long-term effects of childhood adversity, Bluebird, 2018

M. Hoek, H. Miley (red.), Ouderschapsgroei en bufferprocessen, SWP, 2015

S. Madigan, C. Cyr, L.R.A. Alink e.a., Testing the cycle of maltreatment hypothesis. Meta-analytic evidence of the intergenerational transmission of child maltreatment, Development and Psychopathology 31, Cambridge University Press, 2019

M. Main, R. Goldwin, Predicting rejection of her infant from mother's representation of her own experience; implications for the abused-abusing intergenerational cycle, Child Abuse and Neglect, 8, 203-217, 1984

A. van der Pas, Handboek methodische ouderbegeleiding, deel 2 (Naar een psychologie van ouderschap, 2006-2012) en deel 3 (Opvoedproblemen verklaard, 2013), SWP

M. Steketee, De olifant in de (kinder)kamer. Intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen: hoe doorbreken we de cirkel?, inaugurale rede 13 oktober 2017

Achtergrond

7 factoren die beschermen tegen overdracht van geweld en verwaarlozing 

Ongeveer een derde van de ouders die als kind slachtoffer van kindermishandeling zijn geweest, mishandelt of verwaarloost zijn eigen kinderen. Daar staat tegenover dat ongeveer twee derde de problematiek níet doorgeeft. Hoe lukt hun dat? Wat helpt die ouders hierbij?

Auteur: Marjon Donkers 

Leestijd: 8 minuten

BN’er aan het woord

‘Ik dacht dat ik het geweld aan mezelf te danken had’

Haar levensverhaal lijkt te absurd om waar te zijn: als kind is Hameeda Lakho (nu 55) psychisch en lichamelijk zwaar mishandeld en vernederd door haar Pakistaanse vader en Nederlandse stiefmoeder. Haar biologische moeder werd weggestuurd. Inmiddels helpt ze zelf volwassen slachtoffers van kindermishandeling.  

Auteur: Annemarie van Dijk / Fotografie: Mariel Kolmschot

Leestijd: 5,5 minuten

Hameeda Lakho (1964) is expert en inhoudsdeskundige huiselijk geweld en kindermishandeling. Over haar jeugd schreef ze drie boeken: Verborgen tralies, Gebroken cirkel en Geheim geweld. Zij en haar twee oudere zussen werden jarenlang psychisch en lichamelijk zwaar mishandeld door hun Pakistaanse vader en Nederlandse stiefmoeder.

Hameeda wil met haar Academie voor Herstel- en Ervaringsdeskundigheid slachtoffers van kindermishandeling geweld kracht geven en de gevolgen ervan bespreekbaar maken. 

‘Mijn vader sloeg ons met stokken, riemen en kettingen. Mijn stiefmoeder trok aan onze haren, schopte ons. Maar nog erger dan het lichamelijke geweld was de psychische mishandeling. Dagelijks kregen mijn zussen en ik te horen dat we niet deugden, dat we vies, achterbaks en dom waren. Ze noemden ons hoeren, hoewel we niet eens wisten wat dat betekende. We hadden nul zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld. Ik klapte helemaal dicht en stotterde. 


Mijn zussen en ik werden tegen elkaar opgezet, we vertrouwden elkaar niet meer. Het lukte me niet om te eten en ik gaf veel over. Jarenlang werd ik gedwongen mijn eigen braaksel op te eten. Ik voelde me ontzettend eenzaam. Durfde niemand te vertrouwen. Bovendien kampte ik met een enorm schuldgevoel: als ik maar beter mijn huiswerk maak en vaker de afwas doe, dan zíen ze me misschien wel, hoopte ik, dan zijn ze trots op mij. Ik dacht dat ik alles aan mezelf te danken had.

Steun putte ik uit momenten waarop het even wél goed ging. Soms mocht ik op schoot bij een lieve juf. En ik won een opstelwedstrijd op school. Ik droomde vaak weg uit mijn eigen wereldje en dacht: ooit laat ik dit achter me en ga ik weg.’

Geheim

‘Als 4-jarige was ik met mijn biologische moeder en drie zussen vanuit Pakistan naar Nederland gekomen, waar onze Pakistaanse vader woonde. Hij had inmiddels ook een Nederlandse vrouw. Drie maanden na aankomst stuurde hij mijn moeder en babyzusje al weer terug naar Pakistan en vertelde hij aan ons dat ze waren omgekomen bij een auto-ongeluk. [Inmiddels heeft ze ontdekt dat haar moeder nog leeft, red.] Daarna begon een lange periode van ernstig huiselijk geweld. 

Op mijn 14de ontvluchtte ik het huis van mijn vader en zijn Nederlandse vrouw. Vanaf toen woonde ik jarenlang in kindertehuizen. Om verder te kunnen, stopte ik weg wat er vroeger was gebeurd. Ik studeerde hard, ging werken, probeerde iets van mijn leven te maken. Mijn jeugd zonder liefde droeg ik als een geheim met me mee. Ik zat vol boosheid maar wist niet waar die vandaan kwam. Ik zag niet in dat het pijn en verdriet was, vermomd als kwaadheid. 


Pas toen ik moeder werd, kon ik mijn trauma niet meer verdringen. Na mijn kraamverlof kwam ik bij de bedrijfsarts terecht. Hij zei: “Je hebt toch wel een moeder die je kan helpen met je baby?” Ik brak.’ 

Zelfhulpboeken

‘Ik had nooit gepraat over wat er met mij gebeurd was. Zelfs mijn man Gilmer wist niet alles. Bij een psycholoog ging ik eindelijk wel praten. Alleen zei ze tegen mij: “Het raakt je zo, praat er maar niet over.” Het zal wel handelingsverlegenheid zijn geweest, maar hier kwam ik niet verder mee. Dus ben ik gaan lezen.


Dankzij zelfhulpboeken uit de bibliotheek begreep ik steeds beter dat het niet klopte wat me was aangedaan. Dat het om huiselijk geweld en verwaarlozing ging. Dat wist ik ergens al, maar ik kon er niet mijn vinger op leggen. Ik had ook geen vergelijkingsmateriaal, wist niet hoe het er in een normaal gezin aan toeging.

Als moeder miste ik een goed voorbeeld. Ik had haar sinds mijn 4de jaar niet meer gezien. Gelukkig voelde ik meteen onvoorwaardelijke liefde voor mijn twee dochters. Terwijl ze opgroeiden, zag ik bij hen alles wat ik niet heb gehad. Al hun levensfasen vergeleek ik met die uit mijn eigen jeugd.

‘Ik weet niet hoe het is om ouders te hebben die voor je door het vuur gaan’
John Doe

De grote leegte en het gemis was voelbaar en confronterend. Ik besefte steeds weer dat ik niet weet hoe het is om ouders te hebben die er voor je zijn en voor je door het vuur gaan. Dat is een gat in mij dat niemand kan dichten. Gelukkig is het me gelukt om mijn trauma niet op hen over te dragen.’

Ervaringen delen

‘In 2000 besloot ik een boek te publiceren over mijn ervaringen, dat werd Verborgen tralies. Ik wilde door het vertellen van mijn persoonlijke verhaal een stem geven aan al die andere kinderen en volwassenen die te maken hebben met kindermishandeling en huiselijk geweld. Het werden uiteindelijk drie boeken. Ik merkte dat ik er andere mensen mee kon steunen. Om andere slachtoffers de veiligheid te bieden om hun trauma’s te delen, zodat ze niet langer hun grote geheimen hoefden meedragen, richtte ik de stichting Geheim Geweld op. Want ik wist: door zo’n geheim stagneert je ontwikkeling. Je móét het delen. Er gebeurt niets als je je verstopt en blijft zwijgen. 


Ik organiseerde eens een bijeenkomst over "patronen doorbreken" en daar stond een vrouw op die zei: “Ik ben niet alleen slachtoffer maar ook dader, want ik sla mijn dochter.” Ongelooflijk dapper. Haar geheim drukte op wie ze was. Ze voelde zich machteloos. Het was een schreeuw om hulp.’ 

Kracht

‘In de lotgenotencontactgroepen die ik begeleid, onder andere in de vrouwenopvang, gebruik ik de methodiek Doorbreek het zwijgen. De kracht van zo’n groep is dat je allemaal gelijkwaardig bent en ervaringen deelt. Je ziet de deelnemers in de loop van de weken krachtiger worden. Vaak beginnen deelnemers eraan omdat ze “zichzelf willen terugvinden”. Maar eerst moeten ze onderzoeken wat de patronen zijn die voortkomen uit wat er vroeger is gebeurd. Alleen als je je daarvan bewust bent, kun je de langetermijngevolgen van kindermishandeling stoppen. En zorgen dat het huiselijk geweld niet doorwerkt bij je eigen kinderen.’ 

Meer over Doorbreek het zwijgen

Doorbreek het zwijgen

Het doel van de methodiek Doorbreek het zwijgen is inzicht krijgen in de eigen problematiek en stappen leren zetten die bijdragen aan het verwerken van het traumatische verleden. De bijeenkomsten worden begeleid door een (ervarings)deskundige en een gastdocent. 

‘Deelnemers beginnen vaak aan een groep omdat ze zichzelf willen terugvinden’
John Doe

Niet mijn schuld

‘Mensen vragen mij weleens: “Ben je nog steeds bezig met huiselijk geweld?” Ja, zeg ik dan, want mijn traumatische jeugd is onderdeel van mij. Hierdoor werd ik de vrouw die ik nu ben en die persoon kan ik niet zomaar wegstoppen. Vroeger kon ik alleen doorgaan door mezelf te ontkennen. Ik was heel streng voor mezelf. Dat kwam ook door schuldgevoel, dat ik dacht dat ik alles aan mezelf te danken had. Maar dan kun je niet helen. Ik heb geleerd om te accepteren wat me is overkomen en besef goed dat het niet mijn schuld is. Gelukkig heb ik die veerkracht en kan ik nu het verschil maken.’

Hameeda’s tips aan professionele hulpverleners

‘Professionals moeten een slachtoffer van huiselijk geweld vragen waar hun heftige emoties vandaan komen. “Heeft je boosheid misschien te maken met vroeger?” Verder kunnen ze inzichtelijk maken wat de langetermijngevolgen kunnen zijn. Zo kunnen broers en zussen soms jaren later nog kampen met een schuldgevoel omdat ze niets hebben gedaan om hun broertje, zusje of moeder te beschermen. Een psycholoog kan inzichtelijk maken dat ze als klein kind niets kónden doen: “Hoe oud was je? 6 jaar? Wat had je kunnen doen?” 


Maar het allerbelangrijkste is misschien wel goed luisteren en empathisch reageren. Een professional moet er echt voor je zijn. Hij of zij hoeft niet meteen een melding te maken. Je kunt beter proberen om het vertrouwen van een kind te winnen zodat het zich veilig voelt en zichzelf kan zijn. Haal er eventueel een vertrouwenspersoon bij.’ 


Hameeda Lakho’s boeken zijn verkrijgbaar via haar website

Over Augeo

Augeo Foundation wil dat kinderen met liefde en in veiligheid opgroeien. Daarom versterken we professionals, beleidsmakers en vrijwilligers om kindermishandeling en huiselijk geweld zo snel en doeltreffend mogelijk aan te pakken.


Met online scholing en ervaringen van de Jongerentaskforce versterken we professionals. We organiseren steun voor kinderen, en doen samen met gemeenten onderzoek naar de aanpak van kindermishandeling. 


Samen geven we kindermishandeling geen toekomst.

Aan dit nummer werkten mee:

  • Hoofdredacteur en coördinatie: Edith Geurts 
  • Teksten: Mariëlle van Bussel, Annemarie van Dijk, Mariëlle Dekker, Marjon Donkers, Ditty Eimers, Edith Geurts, Ellen de Ruiter, Annette Wiesman
  • Advies: Mariëlle Bahlmann, Lidy Boone, Marjon Donkers, Roely Drijfhout, Anneke Janssen, Marjolijn van de Merwe, Niko Persoon
  • Beeld: Hüsne Afsar, Rebke Klokke, Mariel Kolmschot, Michael Winokur, iStock.
  • Eindredactie: Hanneke Karssen & Annemarie van Dijk
  • Ontwerp en opmaak: NR Grafisch Ontwerp 
  • Uitgever: Augeo Foundation 

De kinderen op de foto’s zijn modellen, tenzij anders vermeld.

Augeo magazine

Samenwerken - Augeo Magazine 18

Langetermijngevolgen
Inhoud
Voorwoord - De schade van een onveilige jeugd
Interview - Nadine Burke
Essay - Veerkracht ontwikkelen
In de praktijk - Sociaal emotionele ontwikkeling stimuleren
Reportage - VoorZorg
Brief aan - Mare
Interview - Peter Adriaenssens
Achtergrond - 7 beschermende factoren
BN’er aan het woord - Hameeda Lakho
Over Augeo

Over Maglr

Deze publicatie is tot stand gekomen met Maglr Pro